O brother where art thou

Medium hh 3642011
Sigrid Rausing – ‘Door te lezen en te schrijven denken we na over onze gevoelens, van wie we houden, en waarom, en hoe’ © Graeme Robertson / eyevine / HH

‘A story has no beginning or end’, begint Graham Greene zijn roman The End of the Affair, ‘arbitrarily one chooses that moment of experience from which to look back or from which to look ahead.’ Ik moest aan deze verteller denken toen ik vorig jaar argeloos Mayhem las, de memoir van Sigrid Rausing, zonder dat ik iets wist van de achtergrond van de schrijfster, alleen getriggerd raakte door omslag en flaptekst. In het ideale geval kruisen roman en memoir elkaar: ik hou van romans waarin de kunstmatigheid van het vertellen wordt benadrukt, en van memoires die met kennelijke moeite worden geschreven. Op bladzijde 36 van Maalstroom, de vertaling die net verscheen van Mayhem, staat het er opeens, een enkele mededeling tussen twee witregels in: ‘Ik merk dat ik moeite heb om met het verhaal te beginnen. Ik schrijf eromheen.’

Juist dat ‘eromheen schrijven’ doet het, in deze getuigenis. Ik was benieuwd naar de vertaling, want vond het Engelse origineel af en toe ingewikkeld, wilde het graag nog eens precies nalezen. Opnieuw raakte ik in de ban van het verhaal van de zus die haar broer, en diens vrouw, ten onder ziet gaan aan hun drugsverslaving. Complicerende factor is dat ze behoren tot een exceptioneel rijke Zweedse familie, die haar domicilie deels heeft gevonden in Londen. Dit feit maakt de geschiedenis publiek bezit, voer voor de roddelpers. Sigrid Rausing is de kleindochter van de man die het patent aanvroeg op het in karton verpakken van melk, sap en dergelijke. Haar vader nam het familiebedrijf over, en verzekerde zijn nakomelingen voorgoed van een leven in weelde. Een huis hier, een huis daar, paarden, een park als tuin, midden in Londen. Maar ook een soort innerlijke adel, met liefde voor kunst en een vanzelfsprekende filantropie. Zoveel liefde roept Rausing op als ze verhaalt van haar jeugd, vol landelijk leven, met schommels en liedjes, bedtijdverhaaltjes. En dan die iets jongere broer Hans, die op zijn zeventiende een reis maakt zoals zoveel leeftijdgenoten een reis maken, naar India, en belandt in hippieoord Goa. Waar hij een stel Franse meisjes tegenkomt die hem doen kennismaken met heroïne.

‘Soms word ik omringd door vluchtige geuren: verrotting, honinggeur – misschien denkbeeldig, misschien echt’

Sigrid Rausing schrijft over drugs als iemand die er als de dood voor is, en zich er altijd verre van heeft gehouden. In feite vraagt ze zich op iedere bladzijde van dit getuigschrift af wat het is waarom haar broer linksaf ging, waar zij haar pad vervolgde. ‘Ik las Jane Austen, hij Charles Bukowski.’ En ook wat het is waarom zij zo somber en verdrietig werd van zijn verslaving. Het enige wat ze kon doen om duidelijkheid te scheppen, was erover te schrijven. ‘Ik geloof in schrijven. (…) Door te lezen en te schrijven denken we na over onze gevoelens, van wie we houden, en waarom, en hoe.’

Op mijn beurt vraag ik me af waarom dit boek me raakt, behalve dat het zo niet-gewiekst maar menselijk om de pijnlijke kern heen blijft draaien, telkens aankomt met feitjes, weetjes, zijpaden. Ik denk dat het te maken heeft met het perspectief van de zus die het gezin waar ze vandaan komt, de gedeelde herinneringen, langzaam bedekt ziet worden door een gruizige laag van narigheid. De vader die almaar breekbaarder oogt, de moeder die de spullen van haar lievelingskind tegen beter weten in blijft koesteren. ‘Broer of zus zijn komt op het volgende neer’, schrijft Rausing in het hoofdstuk waarin ze beschrijft hoe haar broer een tijdlang bij haar in huis komt wonen, ‘je hebt elkaar door. Je snapt het. Je denkt dat je het snapt. Je bent eerder ongeduldig dan moederlijk. Maar wat had ik het ontzettend mis.’ Als ze hem vraagt te vertrekken, vanwege de puinhoop die hij ervan maakt, en omdat hij zich niet meer wast, weigert hij dat. Op de een of andere manier wilde ze niet zien hoe haar broer er aan toe was. ‘Ik dacht dat hij nog altijd mijn broertje was, een jongetje met een snor van zoete melk, cacaopoeder onder vuile nagels.’

En dan het allerpijnlijkst besef, aarzelend en tussen de regels door moeizaam en hortend geformuleerd. Dat ons emotionele leven zich niet laat bevatten of omschrijven. Dat haar somberheid, die op zeker moment de omvang aanneemt van een depressie, misschien een vergelijkbare emotionele toestand laat zien als zijn verslaving. Eigenlijk voelen we met ons lichaam, schrijft Rausing. ‘Soms smaakt mijn mond naar as, een kwellende smaak. Soms word ik omringd door vluchtige geuren: verrotting, honinggeur – misschien denkbeeldig, misschien echt.’ Rausing schreef deze herinneringen en bespiegelingen naar eigen zeggen vechtend tegen de slaap. Dat voel je. Iedere zin is er één.