Loskomen met Tank and the Bangas

O heart, stop making a fool of me

Ze klinken speels, levendig en ongelooflijk veelzijdig; Tank en haar Bangas spelen louter samen omdat ze van muziek houden. Je hoort grenzeloze vrijheid.

Wie het woord banga door een Nederlandse zoekmachine haalt, komt ten eerste terecht bij het populaire digitale ‘straatwoordenboek’, waar twee betekenissen vermeld staan: ‘sletje’ en ‘hoer’ – en inderdaad, al jaren is ‘banga’ in sommige (jongeren)kringen een van de populairste termen om seksueel actieve vrouwen mee te beschimpen of te beledigen. Hoe anders is de betekenis binnen een Amerikaanse context: daar heeft het woord niets te maken met seksuele activiteit en het slaat ook niet specifiek op vrouwen, sterker nog, ‘banga’ gaat veelal om onzijdige begrippen. Een geslaagd, als het kan beetje ruig aandoend rapnummer is bijvoorbeeld een banga, of een levendig (hiphop)feestje, of, in zeldzame gevallen: een muzikant waar bijzonder veel pit en levenslust vanuit gaat.

Die laatste betekenis heeft het woord bij Tank and the Bangas. In het werk van deze Amerikaanse groep speelt een denigrerende ondertoon of vrouwonvriendelijkheid geen enkele rol, het draait juist om een ongeremd soort plezier, om levendigheid, en daarbij: de vrouw van dit stel is juist het trotse, zingende middelpunt, Tank genaamd, en de mannen die haar omringen zijn de op het eerste oog inwisselbare bangas.

Ze vormen een groep sinds 2011 en zijn tegenwoordig met zijn tienen – er hebben zich de afgelopen jaren enkele kleine mutaties binnen de bezetting voorgedaan; er ging een gitarist, er kwam een keyboardspeler bij, al bleef Tank het onvermoeibare middelpunt en behield de groep daardoor ook hetzelfde geluid. Hoe dat geluid klinkt: levendig, dat is vermoedelijk het beste woord om de muziek mee te typeren. Speels, dat ook, zeker live op een podium – de groep bestaat uit meerdere toetsenisten, een fluitist, een saxofonist, een drummer natuurlijk en nu en dan doen er nog een of twee gitaristen mee. Het resultaat: soul die vermengd wordt met funk, funk die wordt vermengd met folk. Tank and the Bangas maken muziek die je moeilijk kunt negeren, zelfs de rustiger nummers vragen om aandacht. Dat komt om te beginnen door Tanks stem, die hoorbaar jaren gerijpt is in kerkkoren en past binnen de soultraditie van stevige, trotse vrouwen: ze klinkt hard, stoer, loepzuiver ook tijdens haar lange uithalen. Op haar nummers neemt ze de leiding: ze zingt, schreeuwt, fluistert, ze draagt gedicht(flard)en voor, ze praat tussen de liedjes door, ze rapt, maant het publiek te bewegen, maant zichzelf te bewegen, ze vertelt verhaaltjes over fictieve personages, spoort mensen aan zelf het heft in handen te nemen en hun leven te leiden zoals ze willen, ze creëert intimiteit en doorbreekt die direct weer, deelt haar persoonlijke twijfels op soms ontroerende en soms theatraal kinderlijke wijze (het refrein van het sprookjesachtige O Heart, waarvan de begeleiding alleen bestaat uit een simpel pianoriedeltje: ‘O heart, o heart, stop making a fool of me’). En ja, ook door die afwisseling tussen tonen en stijlen is het moeilijk de muziek van Tank and the Bangas te negeren: misschien klinkt niet alles van de groep even hoogstaand of doordacht, en er zit zo veel variatie in dat het bijna uitgesloten is dat een luisteraar alles van ze zal waarderen, maar van tevoren is het nooit duidelijk wat er in een nummer van Tank en de haren gaat gebeuren, waarin het uitmondt. En alleen dat is al een reden om verder te blijven luisteren.

Die variatie zit natuurlijk niet alleen in de stem, maar ook in de muzikale begeleiding, die zich aanpast aan Tanks voordracht. (Of andersom? Dat lijkt me bij deze groep niet het geval, Tank klinkt zo krachtig dat het lijkt of ze de koers van ieder nummer bepaalt.) Zodoende schieten de instrumentaties van Tank and the Bangas allerlei kanten uit: net gebruikte ik de woorden ‘soul’, ‘funk’ en ‘folk’, maar er duiken in haar muziek net zozeer elementen op van jazz, gospel, hiphop, disco, rock of spoken word, en ga zo maar door. Het enige studioalbum dat de groep heeft uitgebracht, Think Tank (2013), klinkt bij tijd en wijle zelfs alsof het de groep daar om te doen is, alsof Tank and the Bangas de opdracht heeft gekregen zo veel mogelijk stijlen op een natuurlijke, levendige wijze te vermengen: het ene nummer is kaal en ingetogen, het volgende heeft iets weg van een opzwepende opera, daarna horen we een veredeld hardrocknummer en vervolgens een nummer vol blazers die rechtstreeks van Mardi Gras lijken te komen.

Ineens beginnen de drums, een opgejaagd ritme, als een vastgelegde jamsessie

Het onvermijdelijke risico van die aanpak: het kan te veel worden. Dat wordt het ook wel eens bij Tank and the Bangas. Te veel geluiden, te veel instrumenten, te veel stemmingen kort na elkaar. En daarmee samenhangend: te weinig rustmomenten voor de luisteraar. Zeker bij liveshows, wanneer het tiental werkelijk besluit te gaan experimenteren, is het wel eens snakken naar een natuurlijk rustmoment. Dan duikt er ineens een Beatles-nummer in aangepaste gedaante op of wordt een Disney-klassieker gecoverd tussen enkele opzwepende, theatrale soulnummers.

Ja, dat is veel, maar daartegenover staat de sfeer die al die toonsoorten oproepen: een sfeer van vrijheid, van grenzeloosheid zelfs. Een enkele keer wordt die sfeer zelfs binnen een paar minuten opgeroepen. Bijvoorbeeld bij Boxes and Squares: de eerste anderhalve minuut klinkt dit nummer misleidend gedwee en ingetogen, Tank praat wat en gaat dan zingen, terwijl de muziek bestaat uit niets meer dan een paar hoge pianotonen, een riedel die ook voor slaapliedje zou kunnen doorgaan. Dan, van het ene op het andere moment, beginnen de drums, er ontstaat een loom en tegelijkertijd opgejaagd ritme, het klinkt als een vastgelegde jamsessie. Plotseling doen er achtergrondzangeressen mee, de piano treedt meer op de voorgrond en verdwijnt weer, tussendoor klinkt er – tijdens Tanks zangraps – een blazerspartij die het tempo doorbreekt, en de muziek neemt het meer en meer over van de stem. Het einde en het begin van het nummer klinken zodoende als een soort tegenpolen, ze lijken gemaakt door twee verschillende groepen.

Op zulke momenten – er zijn meer van dergelijke nummers te noemen – klinkt het bijna alsof de groep de studio in is gegaan zonder enig afgebakend plan of een duidelijke afspraak. Gewoon louter om muziek te maken. Om te kijken waar het samenzijn in de studio toe leidt. De nummers van Tank and the Bangas hebben vrijwel altijd, ook wanneer er minder nadrukkelijk wordt afgewisseld, steeds iets aangenaam vrijblijvends en springerigs. Zonder buiten-muzikale gebeurtenissen een al te grote waarde toe te dichten: het ontstaan van het collectief klinkt in dit kader ook typerend. Tank en haar Banga’s hebben elkaar ontmoet bij een Open Mic Show die in 2011 plaatsvond in New Orleans – een stad die overigens met zijn roemruchte muzikale traditie op het gebied van brass bands, blues en hiphop ook nauw vervlochten is met het hierboven beschreven geschreven geluid; het is onmogelijk om voor te stellen dat Tank and the Bangas ontstaan zou zijn in andere delen van Amerika. Hoe dan ook, de groepsleden vonden elkaar op het podium: dus niet na een strategisch marketingoverleg, niet na uitgekiende gedachtes over waar het publiek behoefte aan heeft of iets in die trant – ze gingen louter samen spelen omdat ze van muziek houden. En daar zijn ze sindsdien niet mee opgehouden.

Voor de goede orde: het verhaal van Tank and the Bangas is na dat begin, ondanks de romantische en zelfs licht idealistische aard ervan, niet uitgemond in een overweldigend succesverhaal. Ze leggen de afgelopen jaren meer het pad af van bescheiden, geleidelijke verovering: grote hits hebben ze niet gehad, hun albums werden zeker over de grens weinig beluisterd, maar de laatste tijd krijgt Tank and the Bangas steeds meer voet aan de grond. Hun dit jaar verschenen single Quick – een soort haperend disconummer, met synthesizers, vlug gerapte coupletten, harde gitaren en drums, vertragingen met stemvervormers en meerdere bridges – trok veel aandacht en lijkt een succesvol nieuw project in te kunnen luiden, zeker als de achterban uit New Orleans zo enthousiast blijft en de Europese optredens aanhouden. Deze zomer stond de groep al op Lowlands: met Tank midden op het podium, als vanzelfsprekend middelpunt, de vrouw die zich in geen enkel opzicht laat wegmoffelen.

In muziek schuilt vrijheid, zeggen artiesten wel eens. Vrijheid om los te komen van het dagelijks leven, om jezelf een nieuwe stem te geven, om verhalen te vertellen die anders onuitgesproken blijven. Vaak klinkt die uitspraak een tikkeltje pompeus, soms ronduit verheven, maar wie kijkt naar Tank and the Bangas, ziet en hoort een stel muzikanten dat zichzelf totale vrijheid gunt, dat zich zo min mogelijk laat leiden door welke restrictie dan ook, en dat daar steeds verder mee komt.


Tank and the Bangas treedt op 4 november op in het Koorenhuis