Johann Wolfgang von Goethe geschilderd door Angelica Kauffmann, 1787 © Collection Goethe-Nationalmuseum Weimar / Getty Images

Wie jong is, is overgeleverd aan de liefde, dat weten we allemaal. Liefde is de motor van de jongeling. Alles wat niet over liefde gaat in het leven van een jong mens is aan liefde onderhevige ruis. Dat is ook wat de adolescent Werther in Het lijden van de jonge Werther telkens lijkt te willen zeggen: ‘Wilhelm’, schrijft hij zijn goede vriend, ‘wat is, voor ons hart, een leven zonder liefde! Een toverlantaarn zonder licht!’ Niet zijn verstand maar zijn gevoel is zijn raadgever en of de liefde nu groot geluk of uitzichtloos gemis veroorzaakt, het komt vanuit zijn hart – en is dus niet te negeren.

Dat Werther zijn eigen gevoelens op geen enkele manier kan negeren of zelfs rationaliseren, betekent niet dat hij er controle over heeft. O nee, we worden als we Werther geloven constant door ons gemoed overvallen. Het leven is in feite, zo laat de briefroman van Johann Wolfgang Goethe uit 1774 zien, één grote reeks uitroepen. Op iedere bladzijde wel eentje. ‘O Wilhelm, wie kan er herhalen wat ze zei!’, ‘O, ik zou krankzinnig worden als zij ooit kon vergeten…’, ‘O, dat is de scheidsmuur waar ik voor sta, begrijp je – dat geluksgevoel – tenietgedaan om voor die zonde te boeten (…)’, ‘O God, u ziet mijn tranen!’, ‘O, menselijke bestemming!’ Werther schrijft zijn vriend Wilhelm van de ene verbazing naar de andere rollend, niet alleen over het jonge meisje Lotte van wie hij in de ban is geraakt, ook de schoonheid van de bossen, de velden en de wateren om hem heen raken hem zo diep dat hij er bijna aan ten onder gaat. Alles heeft voor hem een overweldigende intensiteit waardoor de roman leest als een zintuiglijke overkill. De liefde voor Lotte overmant Werther dag na dag en om hem heen knallen de knoppen uit de struiken en is de natuur van een vergelijkbare vernietigende pracht. Goethe wil ons laten zien dat liefde een natuurkracht is waaraan alles onderhevig is.

Aan het begin van het boek, nog voor de eerste brief van Werther aan Wilhelm, wordt aan ons lezers (‘brave zielen’) duidelijk gemaakt wat er staat te gebeuren: we zullen voor Werther en zijn lot niets dan bewondering, liefde en tranen voelen en dit Büchlein zal onze vriend zijn, ‘als je er door ’s levens loop of eigen schuld geen vindt die je nader staat’.

Nou, denk je, een boek als een beste vriend, dat klinkt troostrijk, kom maar door met die tranen. In het kort: de rondreizende Werther leert in het idyllische dorp Wahlheim de jonge Lotte kennen, die na de dood van haar moeder voor haar broertjes en zusjes zorgt. Hij wordt verliefd op haar en onderhoudt een platonische relatie met haar, verder dan dat kan het niet gaan; Lotte is verloofd met Albert, een elf jaar oudere man die op zakenreis is. Werthers onmogelijke liefde voor Lotte stijgt tot grote hoogtes (‘O, engel! Om jouwentwil moet ik leven!’) en voert hem via scherp zelfinzicht (rondlopend in een ‘beminnelijke waan’) naar wanhopig verdriet.

Als Albert terugkomt van zijn reis ontstaat er een vriendschappelijke driehoeksverhouding die Werther opbreekt en hij vlucht weg omdat Lotte nooit de zijne zal zijn. Lotte trouwt met Albert, maar Werther keert na zijn omzwervingen toch naar Wahlheim terug om zijn vriendschap met Lotte nieuw leven in te blazen – hij kan haar niet vergeten. Lotte is zich, evenals de dorpsgenoten, bewust van Werthers grote gevoelens, en laat zich op haar beurt ook door gevoelens overweldigen. Er worden portretten geschilderd, liefdesbriefjes worden met kussen bekleed, harten bloeden, vers geplukte bloemen worden in de beek gegooid, en alles leidt tot een fataal einde: nadat Werther Lotte gekust heeft, beseft hij dat hij zo niet verder kan leven. Werthers voorspelling dat ‘een groeiende hartstocht [de mens] ten slotte van al zijn nuchter denkvermogen kan beroven en hem te gronde richt’, blijkt op hemzelf van toepassing. Met een pistool van Albert schiet hij zichzelf door zijn hoofd. Hij sterft als held: hij heeft zich niet geschikt in de onvermijdelijke afwijzing, maar lijkt die te zijn ontstegen.

Hoe in opstand te komen tegen een natuurkracht, hoe te rebelleren tegen Het Gevoel, waarvan je bij voorbaat al verloren hebt? Eraan toegeven, je erdoor laten leiden, is Werthers overtuiging, geheel in lijn met de literatuuropvattingen van de Sturm und Drang, een stroming die vanaf het midden van de achttiende eeuw vooral door jonge schrijvers wordt aangehangen en die een reactie is op het rationele denken van de Verlichting. Erin zwelgen, de gevoelswerkelijkheid zo overdonderend beschrijven dat je het als lezer zelf ook wel zou willen uitschreeuwen, en dan maar weer een uitroep, O! Is dat niet de puurste vorm van rebellie, lijkt Werther uit te dragen, de puurste vorm van opstand tegen het verstandelijke en bedaarde gepruts van de aristocratische hofcultuur, die vooral moreel wil opvoeden? Is de puurste vorm van rebellie niet de totale overgave, de totale onderwerping aan het niet-beredeneerbare, het waanzinnige? Goethe breekt met de autoritaire en traditionele regels die stellen dat taal onderkoeld en verheven moet zijn, en dat gemoederen vooral ingehouden moeten worden, en geeft Werther een taal die overstromend, fantasievol en hartstochtelijk is. O!

Kom op, jongen, denk je, pull yourself together, prachtig dat je zo verliefd kunt worden, maar mijn moeder zou zeggen: je aanstellen is ook een vak

Al snel na het uitkomen van Die Leiden des jungen Werther volgt een reactie die aan het heldendom grote vragen stelt: jonge mensen herkennen zich in Werther en nemen massaal een voorbeeld aan zijn daad – het aantal zelfmoorden onder adolescenten stijgt gigantisch. De ultieme manier van leven? Niet leven. De ultieme liefdeservaring? Sterven. Liefdesverdriet wordt de ziekte waarvoor de dood het paardenmiddel blijkt. Werthers besluit, dat hij in een ‘verschrikkelijke maar weldadige nacht’ neemt, is voor veel lezers een verlossend inzicht. Sterven is het modieuze antwoord op de slopende aandoening van onmogelijke liefde.

Hoe opstandig is Werther, hoe manmoedig zijn zijn liefde en zijn zelfmoord, is hier sprake van een strijd? In de achttiende eeuw is er al felle kritiek. De Sturm und Drang (later pas zo genoemd overigens) mag dan een vrij bevochten jeugdcultuur zijn geworden in de literatuur, velen zien het verhaal van Werther als een reclamebord voor zelfdoding, of zoals theoloog Johann Melchior Goeze het verwoordde: ‘Een roman die geen ander doel heeft dan de schande van de zelfmoord van een jonge grapjas uit te vegen (…) en deze zwarte daad voor te wenden als een daad van heldhaftigheid (…).’ Overgeleverd te zijn aan een onmogelijke liefde en daarin geen andere uitweg te zien dan de dood is voor velen eerder laf dan een glamour-actie. Goethe zelf reageerde op zijn beurt met een gedicht, gericht aan zijn eigen personage Werther: ‘(…) Jouw ongeluk beleefden allen mee,/ wij bleven achter met ons wel en wee. (…) Verstrikt in zulke pijn, deels eigen schuld,/ laat hem een God uitspreken wat hij duldt.’

In onze tijd zullen jonge mensen (waar ik mijzelf voor het gemak nog bij reken) in het verhaal van Werther ook flink wat agency missen: kom op, jongen, denk je, pull yourself together, prachtig dat je zo verliefd kunt worden maar heb je ook een baan of zo, mijn moeder zou zeggen: je aanstellen is ook een vak. ‘Ik kon het mooiste, gelukkigste leven van de wereld leiden als ik niet een dwaas was’, schrijft Werther. Nou, vooruit, wees dan geen dwaas, denk aan je zelfverwerkelijking, schat! Vrijheid van gevoel als idealistisch motief kunnen we nog steeds herkennen als iets wat jonge mensen voortstuwt; voor tieners en twintigers is hun gevoel vaak de alleronwrikbaarste waarheid. Maar geheel overgeleverd zijn aan je gemoed is misschien niet zo sexy. Waar Werther en zijn volgelingen zichzelf zagen als winnaars van het lijden door uit de wereld te stappen, zijn jonge mensen vandaag de dag toch vooral winnaars als ze in de wereld zijn, niet alleen met hun taal maar ook met hun daden. Als ze helpen de wereld ten goede te veranderen door hun plek erin op te eisen. Activisme en rebellie zijn er om iets te doen kenteren, niet om de aandacht enkel op jezelf en je eigen gevoel te vestigen.

Werthers blik is, bezien vanuit hedendaags perspectief, wel erg op zijn eigen navel gericht. Dat blijkt al uit de beschrijvingen van Lotte, die eenzijdig en vlak blijft, vooral beschreven in haar lieftalligheid, zorgzaamheid, levendige lippen en frisse, blozende wangen. Hij gaat zo in haar verschijning op dat hij de woorden waarmee ze zich uitdrukt soms niet eens hoort. Ze lijkt soms zo zorgeloos en onbevangen, beschrijft Werther, dat het lijkt of ze niets denkt en niets voelt. Werthers zelfverlies is in feite één groot zelfbehoud: omdat hij zichzelf in Lotte verliest, draait alles om Lotte, maar draait eigenlijk alles om hem. Goethe baseerde het personage Lotte op een vrouw in zijn eigen leven, Charlotte von Stein, en schreef aan haar een gedicht:

Allang was ik over de hele aarde,
zo ver als ver is eropuit getogen,
mits niet mijn levensloop door onverklaarde
gesterntemacht naar jou was toegebogen,
zodat ik pas in jou mijzelf ontwaarde.
Mijn hoop en dichten, hunkeren en pogen
gaan nu alleen nog naar jouw wezen uit,
dat heel mijn reden van bestaan omsluit.

Het willoze en afwachtende, daar hoeven we, zelfs in de liefde, nu niet meer mee aan te komen. De vraag is hoe de jonge Werther deze natuurkracht had bedwongen als hij nu had geleefd.


Voor dit stuk gebruikte ik de Nederlandse vertaling van Die Leiden des jungen Werther door Thérèse Cornips, uitgegeven bij Astoria in 2020. De citaten uit Goethe’s gedichten komen uit Ken je het land waar de citroenen bloeien, een vertaling van Matthias Rozemond, uitgegeven bij Bert Bakker in 1998