De galmgang tussen loftrompet en boegeroep is soms verbijsterend kort. Vorige week nog zag ik Diederik Ebbinge toegejuicht worden voor zijn debuutfilm Matterhorn tijdens het filmfestival in Rotterdam, hij won er zelfs de publieksprijs mee, en een paar dagen later las ik een vernietigende recensie in de krant. Het probleem met dit soort dingen is dat de waarheid nooit in het midden ligt. En dat verder ook niemand het erover eens zal zijn waar die dan wel ligt.

Ik vond de recensie wel overtuigend: het zou onmogelijk worden gemaakt om de personages serieus te nemen. Onecht drama, geforceerd mallig. Bestaat er iets erger dan dat?

Aan de andere kant had het publiek van het IFFR daar kennelijk geen last van. Is dat dan toch de opluchting van de festivalbezoeker die een luchtig, nabij drama treft te midden van Oekraïens daklozenleed en Deense onderwereld? Die twee laatste films zag ik dan weer wel tijdens het festival. Allebei goed maar ook übernaargeestig. Ik verliet de bioscoopzaal met het gevoel af­geranseld te zijn. En moest denken aan de vriendin die me na in de bioscoop Jagten te hebben gezien een noodkreet stuurde: ‘Waarom zou ik hiernaar kijken? Wat is dat voor een zelftuchtiging? Ik wil alleen nog maar feel-goodmovies bekijken.’

In een andere krant dan die vernietigende recensie van net stond afgelopen weekend een interessant stuk van schrijver P.F. Thomése over het stijlmiddel ironie. Aan ironie heeft altijd wel iets problematisch gekleefd, iets negatiefs, maar de laatste tijd lijkt het meer de gebeten hond dan ooit. Ironie wordt geassocieerd met onoprechtheid, vlucht voor verantwoordelijkheid, valsigheid, noem maar op. Als bekende hedendaagse, niet zo lang geleden overleden, bestrijder-van-ironie noemt Thomése de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace, goeroe van een generatie jonge schrijvers die een nieuw soort authenticiteit predikt. Weg van de tirannie van de ironie, klaar voor ‘oprechtheid’, typisch een term die ik alleen maar tussen ironische aanhalingstekens kan zetten.

Ik dacht zelf eerlijk gezegd ook wel klaar te zijn met ironie. A zeggen maar B bedoelen, en dan vrijuit kunnen gaan als je met A om de oren geslagen wordt. Want het was ironisch! Zo laf uiteindelijk, zo niksig. Maar nu ik Thomése’s pleidooi voor ironie als ‘het hoogst haalbare’ heb gelezen, denk ik dat dat het punt helemaal niet is. Op ironie moet je je niet verkijken. En misschien heeft Diederik Ebbinge dat wel gedaan. Is hij doorgeschoten in flauwiteiten (man in jurk) waar niemand uiteindelijk op zit te wachten. Veel debutanten denken veilig voor de dag te kunnen komen met vet aangezette ironie. Terwijl het echte drama op z’n minst vermoed moet kunnen worden, en eigenlijk ook gevoeld. Zonder dat er bij voorbaat te ernstig over wordt gedaan. Maar te lullig is ook niet goed.

Het is alleen zo lastig om van ironie af te komen, zowel in geschrift als in de dagelijkse omgang. Ironie is nogal eens een vluchtheuvel voor bangeriken. Ik ben denk ik gewoon te schijterig om niet-ironisch te doen. Of moet je het spotlust noemen? Verlegenheid? Ik weet het niet. Alles om iets te ontduiken, weg te kijken.

De meest geslaagde literaire vorm van ironie las ik – ik heb er al eerder over geschreven – in de romans van de Engelse schrijver Edward St Aubyn. De zogenaamde waarheid van zijn sterk autobio­grafisch geïnspireerde boeken kan alleen via de ironie worden benaderd. In de definitie van Thomése: door heel precies net naast het doel te mikken, schiet hij raak. Door constant ironisch te zijn bereikt St Aubyn het allerhoogste: waarachtigheid. En daar hoeven dan geen ironische aanhalingstekens omheen. In het laatste deel van zijn memoir-achtige romanreeks, Eindelijk getiteld, neemt hij expliciet afstand van ironie als zijn laatste ‘drug’. Dat doet hij door er nog eens een ironische schep bovenop te doen. ‘Probeer maar eens te stoppen met dat diepe verlangen om twee dingen tegelijk te verwoorden, om op twee plekken tegelijk te zijn’, schrijft hij. ‘Om je te kunnen onttrekken aan de catastrofe wanneer zich een vaste betekenis voordoet.’

Soms denk ik dat ik de ironie van schrijvers als Thomése, en ook Grunberg, niet goed verdraag omdat ze op een bepaalde manier te nabij zijn. Ik zie ze te zeer bezig, doende om iets uit de weg te gaan. Aan de andere kant: stel je een niet-ironische schrijver voor. Een niet-ironische geliefde. Hoe vervelend, hoe onleefbaar moet dat zijn.

Eén zinnetje uit Thomése’s stuk heeft zich in mij vastgehaakt: ‘Al onze problemen komen eruit voort dat wij niet in levensgevaar verkeren.’ Zo’n slimmig zinnetje, je bij voorbaat reducerend tot een zeurpiet als je er tegenin zou gaan. Iemand met te veel tijd voor beuzelarijen. Tot ik begon te denken aan zijn eigen werk, waar zijn stuk overigens niet over gaat. En me afvroeg of het zijn werk niet ten goede zou komen als hij onder ogen zou durven zien wel degelijk in levensgevaar te verkeren. We gaan toch gewoon allemaal dood, zo veel tijd is er niet eens.