O, lelijk nederland

TJERK RUIMSCHOTEL vouwt Shells grote autokaart van Nederland open. ‘Het merendeel van de ruimtelijke beslissingen wordt genomen op basis van de Shell-wegenkaart. Zitten de ondernemers en projectontwikkelaars in zo'n wegrestaurant over de kaart gebogen en wijzen op een leeg stuk land bij een verkeersknooppunt.’

We zitten in de auto met Tjerk Ruimschotel, stedebouwkundig ontwerper en adviseur, en Arnold van der Valk, planoloog aan de Universiteit van Amsterdam. Met hen als gids trekken we door Nederland, langs plaatsen die exemplarisch zijn voor het toekomstige gezicht van stad en land. De ruimtelijke inrichting van Nederland wordt, daar kun je donder op zeggen, een van de belangrijkste politieke twistpunten van de komende jaren. Want hoe bouw je nog een miljoen woningen zonder voorgoed als haringen in een ton te zitten? En wat te doen met het platteland, nu de landbouw op z'n retour is? Willen we ecologisch goedgekeurde natuur, compleet met bizons, of liever cultuurlandschap met weiden, greppeltjes en koeien? En hoe te voorkomen dat Nederland volkomen onleefbaar wordt door oprukkende infrastructuur en de bedrijvigheid die zich daar omheen vestigt? Minister Pronk heeft beloofd dat hij nog voor het eind van het jaar met een ‘houtskoolschets’ van de toekomstige ruimtelijke orde van Nederland komt. Een van de belangrijkste vragen die hij moet beantwoorden, is hoeveel de overheid eigenlijk nog te zeggen heeft over de inrichting van de ruimte.
'Veel’, zegt Tjerk Ruimschotel, terwijl we het centrum van Amsterdam uitrijden. 'Maar dan moet je als overheid natuurlijk wel echt iets willen. En dat ontbreekt op het moment. Het belangrijkste wat de overheid nu doet is accommoderen wat het bedrijfsleven wil. Accommoderen - echt een woord van nu: iets komt op je af en je schept er ruimte voor. Zo vaak als ze dat woord gebruiken: het accommoderen van de groei van Schiphol, het accommoderen van de toename van het wegverkeer.’
Van der Valk: 'Ruimtelijke ordening gaat ervan uit dat er zoiets is als een algemeen belang. Maar zelfs binnen een gemeente zijn er allemaal verschillende belangen. Het grondbedrijf van de gemeente Amsterdam heeft als doel de grond zo winstgevend mogelijk te verpatsen, terwijl de dienst huisvesting weer heel andere doelen heeft.’ Ruimschotel: 'Er wordt gesuggereerd dat alles naast elkaar kan bestaan. Het is net talk-radio, iedereen mag meepraten en denkt dat hij invloed heeft.’
We naderen de Arena, dat indrukwekkende ruimteschip dat pardoes tussen de glimmende kantoorkolossen is geland. 'Dit is het Nederland van de 21ste eeuw’, zegt Arnold van der Valk. 'Er zullen steeds meer nieuwe stedelijke centra ontstaan, helemaal los van de oude stadscentra, en met een heel andere identiteit. Nieuwe centra die helemaal ingesteld zijn op de auto.’
Hoewel? We proberen een van de parkeerterreinen bij de Arena te bereiken, maar na een rit langs een hondentraincentrum en het asielzoekers-'hospitium’ stranden we op een doodlopende weg tussen een paar kantoorgebouwen. Kantoorgebouwen die willekeurig over het stuk land zijn uitgestrooid. Ruimschotel legt uit waarom we vastlopen: 'Hier heerst niet meer de logica van de kerk in het midden. In zulk soort gebieden moet je afspreken op parkeerterrein P3 of P5, en alleen maar de bordjes volgen. Nadenken moet je niet doen, want dan ga je uit van een soort ruimtelijke logica die hier juist niet geldt.’
De metro zoeft voorbij. Van der Valk: 'Alles is hier ingesteld op de auto, maar het moest ook perfect zijn aangesloten op het openbaar vervoer. Een typisch Nederlands compromis. Het werkt niet, probeer maar eens over deze vlakte van de metro naar een kantoorgebouw te lopen.’
We rijden over de Bijlmerdreef, waar de flats van de sociale utopie van weleer langzaam maar zeker worden afgebroken en vervangen door laagbouw. Statige rijen bakstenen huizen staan aan een brede laan met groen in het midden. Het is allemaal gloednieuw, maar het lijkt oud, en dat was precies de bedoeling. De statige Churchillaan in Amsterdam-Zuid stond model. Ruimschotel: 'Dit is retro-bouw. Ook die donkerbruine bakstenen zijn retro: terug naar de Engelse country style.’
OP DE A1 RICHTING Amersfoort raakt ter hoogte van Weesp het landelijke groen ontsierd door talloze loodsen en ondefinieerbare bedrijfsgebouwen. Een groot transportbedrijf, seksboerderijen. 'Officieel is dit een groene buffer’, schampert Ruimschotel. 'En hier zie je dus hoe moeilijk het soms is om als overheid te sturen. Want het is niet in strijd met het bestemmingsplan om tientallen vrachtwagens rond een zogenaamde boerderij neer te zetten.’
Het bestemmingsplan is het belangrijkste middel dat de overheid heeft bij het sturen van de ruimte. En het moet gezegd: soms werkt het. Nederland kent vrijwel geen 'weidewinkels’, mammoetsupermarkten buiten de stad, met legio parkeerplaatsen. Omdat ze alle klandizie van de winkels in de binnenstad wegvreten, zijn ze in Nederland eenvoudig verboden. Nog wel.
Van der Valk: 'Je hebt goeie kans dat het tegenhouden van weidewinkels binnenkort door Brussel bestempeld wordt als concurrentievervalsing en protectionisme. Het wachten is op een exploitant in spe die een proces aanspant.’ De inrichters van Nederland zijn zich te weinig bewust van de invloed die 'Europa’ straks gaat hebben, waarschuwt hij. Zo sluiten gemeenten nu vaak 'deals’ met woningcorporaties: als de corporatie een x-bedrag stopt in stadsvernieuwing, mag ze in ruil daarvoor ook een rijtje koopwoningen bouwen. Europa zegt straks: dat rijtje koopwoningen moet vrij worden aanbesteed. Weg deal.
Bij Eembrugge slaan we af. Weiden, sloten, koeien en schapen, met op de achtergrond wat klassieke, doch relatief nieuwe boerderijen. Dit heet cultuurlandschap en de toekomst ervan is hoogst onzeker. In de jaren zeventig is het gebied middels ruilverkaveling geschikt gemaakt voor moderne landbouw, maar die is nu al niet meer rendabel. Van der Valk, die binnenkort hoogleraar 'landgebruiksplanning’ in Wageningen wordt: 'Een deel van de boeren gaat failliet, anderen gaan misschien door als landschapsbeheerders. Dat betekent dat wij, stedelingen, ze subsidiëren om dit landschap in stand te houden.’ Ruimschotel: 'De koeien hier zijn gesubsidieerd. Want wat is Nederland zonder koeien?’
Van der Valk: 'Er zijn mensen die roepen dat de landbouw de Randstad uit moet om hier plaats te maken voor echte natuur en woningen. Maar landbouw is in feite een heel stedelijke activiteit. Neem de tuinbouw, die is verweven met de infrastructuur van de Randstad en met de technologie van toeleveringsbedrijven. Bloemen vliegen de hele wereld over. Het is niet voor niets dat de bloemenveiling van Aalsmeer eerder een ondergrondse tunnelverbinding naar Schiphol zal hebben dan Amsterdam. Kortom, als je rendabele landbouw in Nederland wilt houden, moet het juist in de Randstad. En dat is niet die gezellige landbouw met wat koeien in een wei, maar dat zijn tuinbouwkassen en grote intensieve veebedrijven.’
Ruimschotel: 'Het beeld van de landbouw als producent van leuke landschapjes is nogal hardnekkig. Die produceert de landbouw al sinds de grote ruilverkaveling van de jaren dertig niet meer. Trouwens, het beeld dat Rembrandt van het Nederlandse landschap gaf, was al verouderd. Hij liet de nieuwbouw weg en tekende wat ook toen mooi werd gevonden.’
Van der Valk maakt een weids gebaar: 'Kijk nog maar even goed, want binnenkort zijn dit soort plaatjes historisch. Misschien moet dit gebied in de toekomst maar moeras worden. Dat is de enige manier om het te beschermen tegen de oprukkende stad.’
Ruimschotel heeft de Grote Topografische Atlas van Nederland bij zich. Veel van de woonwijken en bedrijfsterreinen die we vandaag passeren, zijn in de atlas nog 'groen’. Hij weet als geen ander hoe snel kaarten verouderen. Ruimschotel was de initiatiefnemer van de vorig jaar verschenen Nieuwe kaart van Nederland, waarop alle ruimtelijke ordeningsplannen zijn aangebracht die rond het jaar 2005 gereed zijn.
We naderen Amersfoort, en passeren een ruim opgezet wijkje met de truttige grandeur van lage, bungalowachtige woningen. Tuintje, hekje. Dit is de nieuwste stedebouwkundige mode: new urbanism, overgewaaid uit Amerika. Daar is het een reactie op de klassieke suburbs. New urbanism is neoromantiek: terug naar een sociaal verband. Ruimschotel: 'Het moet een geruststellend beeld geven. Geruststellende woningen, waar man, vrouw, kinderen en labrador wonen, met de Volvo voor de deur. Het is heel homogeen, we doen net of we geen pluriforme samenleving hebben. Wat er aan belastingfraude, sm-spelletjes en overspel in die geruststellende huizen plaatsvindt, zie je gelukkig niet aan de buitenkant. Het enige aardige van new urbanism is dat er over vormgeving van de ruimte wordt nagedacht.’
DE AMERSFOORTSE nieuwbouwwijk Kattenbroek is geen new urbanism, maar wel hét voorbeeld voor de vele 'Vinex-wijken’ die de afgelopen jaren zijn gebouwd en nog gebouwd gaan worden. Basisgedachte in de Vinex, de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra, is compacte en geconcentreerde verstedelijking. Dat is dé manier om verloedering en versnippering van het land tegen te gaan en bovendien kun je in dergelijke compacte steden goed openbaar vervoer aanleggen, dus is Vinex goed voor het milieu.
Kattenbroek is gestructureerd als een typisch Nederlands stadje. Stadscentrumpje met winkels, een marktje, grachten en een slingerende singel die het gebied omsluit. Er is zelfs een heuse stadswal met kantelen - dat wil zeggen: de geluidswallen langs de snelweg hebben een speelse middeleeuwse vorm. Ruimschotel: 'En veel water. Water verkoopt altijd.’
De architecten hebben zich uitgeleefd op de huizen. Elke straat heeft zijn eigen architectuur. De huizen zijn zachtblauw, zachtgeel of roze; de daken zijn halfrond, maken een uitdagende schuine hoek, of hebben veel weg van een oosterse pagode. Dertig procent van de wijk bestaat uit sociale woningbouw. Die kun je herkennen aan de plastic afvoerpijpen, zegt Ruimschotel. Bij koopwoningen is de afvoer weggewerkt achter steen. In de voortuin van een van die overduidelijke sociale huurhuizen staat een metershoge opblaasooievaar. Die heeft in Kattenbroek weer een kindje gebracht.
'Het idee van de compacte stad staat de laatste tijd weer erg ter discussie’, zegt Van der Valk, 'maar wat mij betreft is Kattenbroek een behoorlijk geslaagde compacte stad.’ Ruimschotel: 'Dit is ongeveer het mooiste wat we aan nieuwe steden of woonwijken kunnen maken.’ Van der Valk: 'Over vijftig jaar staat Kattenbroek gegarandeerd op de monumentenlijst.’
Kattenbroek toont in elk geval ook de eindigheid van het idee dat je wijken vast kunt blijven plakken aan bestaande steden. Want die wijken komen steeds verder weg te liggen van het stadscentrum, in dit geval van Amersfoort, waar bijvoorbeeld de middelbare scholen zijn. Planologen gebruiken daar het mooie woord 'kleumgrens’ voor: Kattenbroek ligt op de rand van wat nog befietsbaar is. Van der Valk: 'Hoe lang gaan we nog door met concentrische cirkels om bestaande steden bouwen, dat is een van de kernvragen die beantwoord moeten worden in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. In plaats van die uitbreidingswijken moet je misschien nieuwe stadjes bouwen, niet te groot, van pakweg 60.000 inwoners, los van de bestaande steden.’
Even later staan we bij een tochtig plein dat in het voormalige oostblok niet had misstaan. Aan de andere kant van de weg ligt de gedurfde architectuur van Kattenbroek, maar hier overheersen fantasieloze betonkolossen waarin Piet Klerkx’ meubelwinkel, kantoren en een hotel zijn gevestigd. Een parkeerplaats ernaast, wapperende reclamevlaggen aan de weg. Het is wat kleinschaliger dan het gebied rond de Amsterdamse Arena, maar in feite is hier hetzelfde aan de hand. 'Centrum en periferie zijn geen relevante begrippen meer’, zegt Van der Valk. 'De periferie wordt het nieuwe centrum.’ 'Ach’, relativeert Ruimschotel, 'in Amsterdam zijn in het midden van de negentiende eeuw het Rijksmuseum, een ziekenhuis, de brandweerkazerne en het Paleis van Volksvlijt aan de rand van de stad gebouwd. Dat was toen de periferie, nu is het ’t centrum.’
HET HOGE WOORD moet er nu maar uit: wordt Nederland niet verschrikkelijk lelijk als alle ontwikkelingen onbekommerd verder gaan? Het gebied rond de Arena is, als er geen voetbalwedstrijd of evenement plaatsvindt, voor voetgangers een onherbergzaam niemandsland. Langs de snelweg zie je steeds meer ondefinieerbare schoenendozen verrijzen, willekeurig in het weiland gekwakt. En Kattenbroek - de architectuur is mooi, maar stel je voor dat Nederland één grote, benauwende nieuwbouwwijk wordt. Voor een planoloog en een stedebouwkundige zijn mooi en lelijk echter nietszeggende begrippen, verzekeren Van der Valk en Ruimschotel. Van der Valk: 'Waar het om gaat is of een bepaalde inrichting werkt. En wat lelijk is, werkt misschien wel.’ Hij geeft een klein college. Een planoloog houdt rekening met de gebruikswaarde, met de toekomstwaarde, met de herkomstwaarde en met de belevingswaarde. Van der Valk: 'Bij die belevingswaarde speelt esthetiek een rol, maar de belevingswaarde is dus lang niet het enige wat telt.’
Ruimschotel: 'Mooi of lelijk, het is zo oppervlakkig. Het gaat over stoeptegels en straatverlichting en straatmeublilair. Mooi en lelijk zijn net zulke moeilijke termen als goed en fout. En hoe erg zijn bepaalde ontwikkelingen? Moeten kantoorgebieden er fantastisch uitzien? Je hoort ook regelmatig mopperen dat alle binnensteden er zo langzamerhand hetzelfde uitzien, met overal dezelfde winkels en klinkers. Maar is dat nou werkelijk zo erg? Wie bezoekt er nu drie binnensteden op een dag?’
Over lelijkheid gesproken. We zijn inmiddels in Veenendaal. Een desolate autoweg waarlangs een McDonald’s Drive In, tankstations, kantoren en borden met 'hier wordt gebouwd’. Onze gidsen noemen dit 'de rommelzone van de Randstad’. 'Hoe lelijker de wijk, hoe mooier de straatnamen’, zegt Ruimschotel. Kennelijk ontkomen zelfs stedebouwkundigen er niet aan dingen ronduit lelijk te vinden. In jargon heet wat bij Veenendaal gebeurt 'corridorontwikkeling’: bedrijvigheid langs gebundelde infrastructuur, vooral langs de snelweg. De meubelboulevard, waar het ooit mee begon, heeft navolging gekregen.
WE GEBRUIKEN onze lunch bij McDonald’s Drive In. Gezeten aan een kunststof tafeltje en happend in Macs, komen we weer op de vraag in hoeverre de overheid eigenlijk kan sturen. Van der Valk: 'De overheid heeft veel macht verloren doordat ze steeds minder geld heeft om te investeren. Als je voor alle investeringen het bedrijfsleven nodig hebt, krijgt dat bedrijfsleven vanzelf veel invloed op de ruimtelijke ordening.’
Een paar dagen geleden presenteerde het AVBB (Algemeen Verbond Bouwbedrijf), de lobbyclub van bouwbedrijven, zijn plannen met Nederland. 'Corridors’, oftewel bedrijvigheid langs de snelweg, nemen daar een belangrijke plaats in. Het kwam groot op het Journaal. Van der Valk: 'Twintig jaar geleden zou niemand daar aandacht aan hebben besteed. Nu weet je dat ze macht hebben. Op bestuurlijk gebied is Nederland steeds meer op Amerika gaan lijken, met een kleinere rol voor de overheid en een kleinere publieke sector. Langzamerhand zie je daarvan ook de ruimtelijke gevolgen. We gaan ruimtelijk ook steeds meer op Amerika lijken.’
De nieuwe bebouwde gebieden worden gekenmerkt door monocultuur: iets is óf een woonwijk óf een bedrijventerrein. De ruimtelijke scheiding van functies in de stedebouw werd als eerste geproclameerd door het Ciam (Congrès Internationaux d'Architecture Modern) in de jaren dertig. Onder leiding van Le Corbusier bogen architecten en stedebouwkundigen zich over de 'functionele stad’. Door wonen, werken, recreatie en verkeer in aparte sferen te laten plaatsvinden, krijg je heldere hygiënische steden, was het idee. Het gevolg: slaperige nieuwbouwwijken en onherbergzame bedrijvenparken.
Daar wilden we dus weer van af. Maar overal waar we vandaag komen is die ruimtelijke scheiding praktijk. Dat komt door de invloed van de markt, weten onze gidsen. Ruimschotel: 'Projectontwikkelaars willen zekerheid en efficiëntie. Het is efficiënter om hier een plak bedrijven neer te leggen en daar een plak woningen, dan om die twee te mengen. Zoals projectontwikkelaars er ook helemaal geen belang bij hebben om dure en goedkope woningen te mengen. Projectontwikkelaars hebben eenvoudig gezegd maar één doel: zorgen dat het onroerend goed zijn waarde behoudt, en liefst zo veel mogelijk in waarde stijgt.’
Oh goede oude tijd, toen de PvdA de ruimtelijke ordening en de stedebouw nog zag als belangrijk politiek sturingsmiddel. Ruimschotel: 'De verstrengeling tussen sociaal-democratie en planologie is verbroken. Binnen de PvdA is ruimtelijke inrichting nauwelijks meer een item. Geelhoed, PvdA'er en de hoogste ambtenaar onder Wim Kok, zei op de Dag van de Stedebouw dat we het ons eigenlijk niet kunnen veroorloven om werklozen en bejaarden in dure stadcentra te laten wonen.’
Van der Valk: 'En Duco Stadig, de PvdA-wethouder ruimtelijke ordening van Amsterdam, kon onlangs op een bijeenkomst ongestraft zeggen dat de kleine, goedkope huizen uit de jaren vijftig tegen de vlakte moeten omdat ze niet meer voldoen aan de eisen van de markt. Maar het kenmerk van die woningen is nou juist dat er mensen wonen die op de markt niet terecht kunnen. Ik voorspel dat dit hét schisma van de PvdA wordt.’
Vroeger waren de belangrijkste planologen en stedenbouwers in dienst van gemeenten, vaak dus van de PvdA-wethouder. Nu die tijd voorbij is, is onder planologen vrijheid-blijheid de mode. Geen regels, laat mensen zo veel mogelijk zelf bepalen waar ze willen wonen. Wil iedereen een ranch met een jeep, dan krijgt iedereen dat.
Een paar weken geleden wijdde de NPS een avondvullend programma aan jonge ontwerpers en hun ideeën voor Nederland. Stuk voor stuk bleken die geobsedeerd door mobiliteit, nieuwe vervoersmethoden, dynamische snelwegen. Ruimschotel begrijpt dat wel. 'Aan wijkjes en woningen valt weinig eer meer te behalen, dat weten we zo langzamerhand wel. En het is ook broodnodig dat er meer wordt nagedacht over het ontwerp van bijvoorbeeld een snelweg. In de tijd dat de snelwegen werden aangelegd, lagen ze ver buiten de stad. Maar inmiddels groeien de steden steeds vaker door tot aan de snelweg, of groeien zelfs over de snelweg heen. Dan ligt de snelweg plotseling midden in de stad.’
Er is überhaupt veel te weinig aandacht voor de enorme ruimtelijke consequenties van infrastructuur, vindt Ruimschotel. 'Je kunt wel van alles bedenken over de inrichting van Nederland, maar als Schiphol straks heel ergens anders komt, kun je weer opnieuw beginnen. Je kunt dus niet enerzijds nadenken over de ruimte, en anderzijds over Schiphol.’
WE NADEREN Woerden. Woerden, en ook het verderop gelegen Bodegraven, zijn bezig corridorstad te worden. De grond aan de snelweg is veel geld waard, geld dat de gemeenten goed kunnen gebruiken om de voorzieningen op peil te houden. Dus geven ze de grond uit aan bedrijven. De boeren die er eerst zaten, konden het hoofd toch nauwelijks meer boven water houden. Distributiecentrum Schuitema hapte als een van de eerste toe. Een grijs betonnen blok, vier hoog en enkele honderden meters breed en diep, met oprijlaan tot op het dak, daar kunnen de vrachtwagens op parkeren. In de 'achtertuin’ van de betonkolos staan boerderijen. Of beter: 'boerderettes’. Dat is de benaming die Ruimschotel aan boerderijen geeft die door stadse mensen worden gekocht en opgeknapt. Dit is het Groene Hart.
Langs een kronkelend riviertje rijden we via Linschoten naar Oudewater. Hier is het puur idyllisch. De wilgen die aan de waterkant staan, de oude boerderijen, de groene weilanden, de oud-Hollandse kernen. Maar Ruimschotel ziet ook wat anders. Hij wijst op de schapen en de paarden. 'Dat betekent dat hier geen boeren meer wonen. Boeren hebben geen paarden, die hebben een trekker. En schapen betekent dat het niet meer rendabel was om koeien te houden.’ Kortom, dit landschap is misschien mooi, maar economisch functioneert het niet.
Van der Valk: 'De enige manier om de landelijke pastorale in stand te houden is dat mensen uit de stad, met veel geld, hier komen wonen. Dat kan, maar met landbouw heeft het dus niets te maken.’ Hij werpt een mooie paradox op: 'Willen we dat het beeld van het gebied in stand wordt gehouden, of willen we dat de functie in stand wordt gehouden? Als je het beeld wilt handhaven, kun je hier niet rendabel boeren en moet je de boeren subsidiëren om koeien in de wei te houden. Wie hier rendabel wil boeren, ontwikkelt allemaal nevenactiviteiten. Maneges, autosloperijen, kampeerboerderijen. Daarmee verandert dus het beeld, is het Groene Hart niet meer het Groene Hart zoals we dat graag zien.’
Verderop, bij Alphen aan de Rijn, is Van der Valk lyrisch over de noordelijke stadsrand. Het is de grens van een nieuwbouwwijk die abrupt afsteekt tegen het weiland. Zo'n scherpe scheiding, een zogenaamde 'contour’ tussen stad en land, was lange tijd het ideaal. En voor velen is dat nog steeds het ideaal, want in een klein land als Nederland heb je scherpe contrasten nodig wil niet alles op alles gaan lijken. Maar als er geen duidelijke - economische - functie meer is voor het groen, wordt het handhaven van die scherpe contrasten steeds moeilijker. De wei is geen automatische buffer meer tegen de oprukkende bebouwing.
Een mogelijk nieuwe functie van dat groen - en een optie die steeds meer aanhang wint - is het creëren van 'nieuwe buitenplaatsen’ voor de rijken. Van der Valk: 'Het idee is geïnspireerd op wat in de achttiende eeuw aan de duinrand en langs de Vecht gebeurde. Oké, de villa’s worden bewoond door de rijken, maar ondertussen creëer je gebieden waar ook anderen graag fietsen omdat het er prachtig is. En zoals ik al zei: het is misschien de enige manier om het landschap in stand te houden.’
Ruimschotel: 'Wat ik zou willen is dat je die nieuwe rijken vooral de mogelijkheid geeft om te bouwen in gebieden die nu niet mooi zijn, in die eindeloze weilanden waar landschappelijk weinig aan te beleven valt. Laat ze daar wat moois van maken, laat ze daar landschapsparken creëren. De binnenduinrand, de Veluwe en het Gooi waren aanvankelijk helemaal niet zo aantrekkelijk om te wonen, ze zijn mooi gemáákt. Nu gaan de mensen met geld naar Brabant, maar daar is het al mooi. Ik heb liever dat ze gaan zitten waar het nog niet vanzelfsprekend mooi is. Laat ze kwaliteit toevoegen.
Bedrijven zijn daar ook best voor te porren. De afgelopen jaren hebben de mensen miljoenen verdiend. Wat hebben ze ermee gedaan? In dat opzicht kan de overheid veel stimulerender zijn in plaats van slechts restrictief. De havenbaronnen in Rotterdam werden ook aangesproken op het creëren van iets moois met hun geld. Daar is Boijmans-Van Beuningen uit voortgekomen. De arbeidersklasse kan het niet doen, laat de rijken dat maar doen.’ Grappend: 'En als de revolutie komt, heb je in ieder geval wat mooie lanschapsparken.’
Dat is de belangrijkste opdracht voor de 'houtskoolschets’ van Pronk, zegt Ruimschotel terwijl we een laatste drankje drinken in het Het Wapen van Leimuiden, alias café René. Ruimschotel: 'Met regelgeving kan je niet zoveel meer, als je zelf het geld niet hebt om te sturen. De overheid probeert nu vooral fouten en misstanden te voorkomen, maar daarmee loop je per definitie achter de feiten aan. Ze zou veel meer moeten stimuleren, en daarmee proberen mensen en kapitaal een bepaalde kant op te krijgen.’
Van der Valk: 'De grootste uitdaging is Nederland in te richten op een ecologisch verantwoorde manier. Om economie en ecologie zinvol te combineren. Nee, vandaag hebben we wat dat betreft niet de meest inspirerende voorbeelden gezien.’