Ger Groot

O Nederland!

In drie opzichten lijkt Nederland op Japan: het land is vol, alles is er klein (vooral voor de boomlange inwoners zelf) en vrijwel iedere inwoner is ervan overtuigd dat zijn taal onbegrijpelijk moet blijven. Daarom spreekt hij een buitenlander steevast in het Engels aan, zelfs wanneer die zich in de nationale taal tot hem richt. Nederlanders vinden dat buitengewoon groothartig en kosmopolitisch, hoe grof zij de buitenlandse inspanningen daarmee ook schofferen.

Dit taaldebacle komt niet voor in het zojuist verschenen nummer van De Gids, dat gewijd is aan misvattingen over Nederland. Alleen Willem Otterspeer komt een beetje in de buurt met zijn klaagzang over de over elkaar buitelende spellingsveranderingen, waarin Nederlanders tonen hun eigen taal ook voor henzelf nog te moeilijk te vinden.

Verder biedt het nummer een caleidoscoop van misverstanden: over het Nederlandse antikolonialisme, de irrelevantie van het buitenlands beleid, de nationale properheid, de vrijheid-blijheid van prostitutie en drugsgebruik, de verloren strijd om de kenniseconomie, de levensvatbaarheid van het poldermodel en het typisch Hollandse van Vermeer. Allemaal niet waar, net zo min als Nederland de vrede en de zee bemint of groot is in het voetbal. Een Nobelprijs voor de literatuur verdienen «wij» niet (wel Hella Haasse of Cees Nooteboom) en Nederland is niet vol.

Dat laatste ter geruststelling van de buitenlanders aan wie ik de verzuchtingen uit de eerste alinea ontleen en voor wie dit nummer mede bedoeld is. Ter gelegenheid van het komende voorzitterschap verschijnt het ook in het Frans, Duits en Engels, en zoiets schept verplichtingen. Is er na dit themanummer, dat nog het meest lijkt op een nationale oefening in negatieve theologie, nog een Nederland waarover wél iets te zeggen valt? Gemakkelijk blijkt dat niet te gaan. In Nederland zijn de mensen vooral goed in preutsheid, behalve nu juist op het seksuele vlak, zo schrijft Abram de Swaan. En even terughoudend betoont hij dan ook zichzelf in zijn lof op deze «democratie en rechtsstaat» waarin «de mensen vreedzaam, humaan en sikkeneurig» leven. Als nationaal distinctief gooit dat geen hoge ogen.

Wie zoekt naar buitenlandse verbazing over Nederland kan niet ontkomen aan Pim For tuyn, en niet voor niets valt zijn naam in dit Gids-nummer het vaakst. Elders betekende diens verschijning de teloorgang van een braaf Nederland, schrijft de filosoof René Boomkens, maar binnenslands kondigde zij vooral het einde van het linkse Nederland aan. Het verschil is waarschijnlijk niet groot en Boomkens maakt er hoe dan ook korte metten mee: links is Nederland nooit geweest. Braaf misschien wel, maar daaraan is met triomfalistisch rechts inmiddels ook een einde gekomen.

Het beschaafde conservatisme is een straatvechterscultuur geworden waarvoor ouderwetse liberalen zich steeds meer beginnen te schamen. Links staat er intussen bij als een geslagen hond, slachtoffer van welgeteld «vier regeringsjaren van totale anarchie en utopische luchtfietserij» — aldus Boomkens — die de schuld moeten dragen van vrijwel alles wat er sinds de Tweede Wereldoorlog politiek en economisch is misgelopen.

Uit de pen van een linkse denker is dat een opmerkelijke relativering van de revolutiejaren zestig en zeventig, in meer dan één opzicht verwant aan de ontmaskering van het aan die jaren toegeschreven non-conformisme door H.J. Schoo, voormalig hoofdredacteur van Elsevier, in hetzelfde nummer. Wat Boomkens betreurt, bejubelt Schoo: «De ruwgevooisde aanzet tot een tegenstem in wat lang een koor van eenstemmigheid was», zo schrijft de laatste. Consensus was er, door alle strijdcultuur heen, zo beaamt Boomkens. Maar achter de coulissen behelsde dat vooral een rechts pacificatieprogramma (gedogen heette «repressieve tolerantie») dat onder de paarse kabinetten zijn voltooiing vond.

Inmiddels — aldus Boomkens — heet alle kwaad «van links» te komen, van gedoogbeleid tot kogels, inclusief het imaginaire levens gevaar van populaire columnisten. In De Gids breekt Maarten van Rossem op laconieke wijze de staf over de collectieve opvliegers van een volk dat zichzelf zo misleidend op zijn nuchterheid beroemt. Wellicht is dat laatste het grootste misverstand dat in deze special schittert door afwezigheid. Flegma is nooit de grootste Hollandse deugd geweest. Mystiek en irrationaliteit kenmerken er het leven, vooral wanneer de rede zelf wordt aangeroepen.

Nederland is een hysterische natie. Buitenlanders wisten dat allang.