O, o, o, wat is ie slecht

Een paar weken geleden hield Yra van Dijk als opmaat voor het nieuwe ‘literaire seizoen’ in NRC Handelsblad een eigenaardig pleidooi tegen de vrijblijvende geëngageerdheid van schrijvers als Adriaan van Dis, P.F. Thomése en Nelleke Noordervliet. Te veel ironie en geschipper, het moet allemaal duidelijker.

Ze pleitte serieus voor boeken waarin ‘de weg van het geweld’ wordt bewandeld. Grunberg noemde ze als lichtend voorbeeld omdat hij ‘het mysterie van de werkelijkheid’ (?) als ‘een slachthuis’ ziet. Ten slotte stelde ze dat het de taak van de schrijver is ‘om het woord zo dicht mogelijk bij de daad te brengen’. Het staat er echt en het klinkt krachtig en stoer, maar wat bedoelt ze precies? Moeten we als schrijver fascist of terrorist worden? De daad bij het woord voegen? Had Robespierre, die zijn carrière als dichter begon, dan toch gelijk toen hij via de guillotine het woord letterlijk adembenemend dicht bij de daad bracht? Enige toelichting had mij wel op weg geholpen, maar misschien kan de nieuwe roman van Grunberg als een leidraad dienen voor het engagement zoals Van Dijk dat voor ogen staat. Al twijfel ik er ernstig aan.

In een sterk toneelmatig gehouden enscenering zet Grunberg een paar standaardtypen neer uit de mythologie rondom Zuid-Amerikaanse politieke verhoudingen. Aan de ene kant de verderfelijke staat en het leger, vertegenwoordigd door de bar en boos slechte Majoor Anthony, aan de andere kant de rebellen, vertegenwoordigd door ‘de Dirigent’, geflipt schrijver die de politiek in gaat. Met nog een paar bijfiguren: de vrouw van de majoor, de huishoudster, jonge zwervers, mijnwerkers, et cetera. Al deze figuren spreken, denken en handelen precies volgens de rol die hun is toebedeeld, ze doen sterk denken aan figuren uit wat vroeger vormingstheater heette. Daar tussenin staat het meisje Lina, speelbal der verhoudingen, eerst onschuldig slachtoffer van pure ongerechtigheid en uiteindelijk Wapenhandelaar zonder Moraal. Precies zoals in het vormingstheater. Het verhaal gaat als volgt: de slechte majoor laat de ouders van het meisje vermoorden en ‘adopteert’ haar. Hij komt zelf na langdurige marteling door de rebellen om het leven en het meisje sluit zich na een zwerftocht uiteindelijk bij de rebellen aan. Maar het helpt allemaal niet, ze raakt zwanger van de Dirigent en doodt het kind later per ongeluk.

In dit bijna pijnlijk rechtlijnig vertelde verhaal speelt iedereen zijn voorspelbare rol en denkt iedereen binnen zijn voorgeschreven denkwereld. De dialogen klinken als politieke en morele pamfletten en Grunberg heeft er keihard aan gewerkt om iedere dubbelzinnigheid, iedere onverwachte ontwikkeling, iedere psychologie, in dit uitermate saaie en trage boek weg te werken. Ook zijn tot nu toe in zijn werk gebruikelijke briljante en vaak ook tragische zijsprongen ontbreken. Dit is het en meer is het niet en daar helpt geen lieve moedertje aan. U bekijkt het maar, beste lezer. Het viel me niet mee vierhonderd bladzijden lang mee te moeten leven met de verschrikkelijke fascist Majoor Anthony. Zo slecht kom je ze niet vaak meer tegen in de literatuur en het is natuurlijk heerlijk als hij gruwelijk om het leven komt. Maar toch: kon dat niet ietsje eerder? Dat het gaat gebeuren weet je al op pagina 1 (o, o, o, wat is ie slecht) en ik voelde me dus duidelijk in de aap gelogeerd om alle prietpraat van deze fascist zo lang te moeten lezen en aanhoren. Grunberg pepert het ons verbijsterend langdurig in, ik zat erbij en keek ernaar, pagina’s lang lulkoek van de majoor, steeds hetzelfde, nog een keer een herhaling, weer dat verhaal te moeten lezen dat hij Lina ‘eigenlijk’ gered heeft. Niet één keer, maar pakweg veertig keer. En dat in een stug volgehouden kleuterstijl, korte zinnen zonder kraak of smaak, een stijl die me vooral herinnerde aan het slechtere jeugdboek. ‘Zijn kind begon weer te huilen. Hij had haar niet alleen gestolen, hij had haar ook gered. Dat vatte zijn probleem samen. Half verborgen achter stalletjes zag de majoor een vervallen kerk. Voor de kerk lagen tien bedelaars. Hij had jarenlang geen voet meer in een kerk gezet, zelfs niet op kerstnacht. Religie was niets voor hem, had hij ooit besloten. Met het kind in zijn armen liep de majoor naar de kerk. Het was meer sluipen dan lopen. Een paar bedelaars hielden hun hand op, maar hij negeerde hen. Een enkeling trok aan zijn broekspijp.’ En zo gaat dat dus het hele boek door, ook wanneer de majoor eindelijk uitgeluld en -gedacht is en we meer mogen meeleven met Lina en later met de Dirigent.

De Duitse anarchist B. Traven schreef tussen 1925 en 1969 twintig voortreffelijke romans over recht en onrecht in Zuid-Amerika. Prachtige en avontuurlijke boeken over machthebbers en rebellen, over racisme en verzet, over terreur en bevrijding. Sardonisch en concreet, vrolijk en snijdend tegelijk. Allemaal in het Nederlands vertaald en op boekenmarkten nog steeds volop voor een euro te koop. Een paar titels: De brug in de jungle (1929), De ossenkar (1931), Een generaal komt uit de jungle (1940). Ik begon meer en meer terug te verlangen naar deze wonderbaarlijke, tegelijk cynische en zachtmoedige verhalen over gefnuikte ambities en politiek onbenul. Over wreedheid, onrecht en gerechtigheid. Hoe het werkt en uitwerkt. Dat waren nog eens geëngageerde romans! Maar Grunberg zoekt het in zijn nieuwe roman niet meer in literatuur. In zijn vorige roman Tirza zag je de verandering in zijn schrijfopvatting al doorschemeren, zag je al zijn keuze voor een rechtstreekse vertelling waarbinnen glasheldere en eenduidige morele boodschappen waren verwerkt. In deze nieuwe roman is de wijzer doorgeslagen naar dor pamflettenproza waarin rigoureus afscheid wordt genomen van modernistische en postmodernistische literaire kunstgrepen. En waarin daarvoor in de plaats de sentimentele kunstgrepen van het propagandaproza uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw worden ingezet. Dat zal ze leren.