O tijd, o zeden

OUD-FILMDIVA Gina Lollobrigida stond in 1997 opeens weer in de schijnwerpers. Als jurylid van het Gentse filmfestival distantieerde zij zich publiekelijk van de film die door de jury als winnaar was aangewezen: The Witman Brothers (Witman Fiúk). De Hongaarse regisseur János Szász vertelt het verhaal van twee puberbroers die, tegen het beklemmende decor van de Eerste Wereldoorlog, hun fascinatie voor dood en seks uitleven. La Lollobrigida kon de film ‘op morele gronden niet goedkeuren’, waarbij ze vooral viel over het feit dat de jongens hun moeder vermoorden.

Hoongelach werd haar deel, ook van de kant van de Nederlandse filmpers. ‘Je zag haar al met zwoegende boezem van verontwaardiging weglopen’, schreef Dana Linssen in NRC Handelsblad. Waarom spotten de critici met de motieven van de bejaarde Italiaanse ster? François Stienen schreef in zijn recensie van The Witman Brothers in de Filmkrant: 'Het blijft een hardnekkig verschijnsel dat films worden afgekeurd op basis van het immorele gedrag van personages. (…) Maar films zijn, net als toneelwerken, per definitie nooit moreel of immoreel, ze ontleden het menselijk gedrag op een al dan niet overtuigende en meeslepende wijze. Kunst is namelijk de enige gelegitimeerde mogelijkheid om te genieten van het kwaad.’ Het klinkt zo simpel: juryleden en critici behoren een film te beoordelen als cinematografisch kunstwerk. Is de film goed gemaakt of slecht gemaakt? Zijn de personages geloofwaardig binnen het fictieve kader, is de ontwikkeling van het verhaal logisch, is de vorm geslaagd en past die bij de inhoud? In 1929 schreef de criticus L.J. Jordaan: 'Wanneer morgen aan den dag een Italiaanse fascisten-film zou geboren worden, die haar ideologie en haar hartstochtelijke overtuiging in denzelfden schoonen vorm wist te gieten, als de eerste Russen deden, zou zij ons even welkom zijn.’ Maar Jordaan maakte zijn belofte niet waar. Later, toen de oorlog dreigde, schreef hij de film Ergens in Nederland de hemel in als 'propaganda die door geen verstandig vaderlander kon worden afgekeurd’. Als kunstwerk zou hij deze film beslist minder hebben gewaardeerd. Ook Dana Linssen geeft in haar reactie op Lollobrigida’s moralisme aan dat de praktijk van de filmcriticus lastig is: 'Soms stuit een filmgeschiedenis je zo tegen de borst dat het alleen mogelijk is met emotioneel gekleurde blik te kijken.’ Ik had zelf ook de grootste moeite om Szász’ beklemmende ondergangsvisioen aan te zien. Maar ik zag wel dat die haast onverdraaglijke beelden deel uitmaakten van een schitterende film. HET FILMFESTIVAL van Rotterdam is weer in aantocht, met vele, zogeheten 'betere films’ vol geweld. Dat zijn steevast ongemakkelijke films, die morele dilemma’s aansnijden waarmee publiek én critici worstelen. Vertroebelen de normen en emoties van de filmcriticus wellicht ook zijn oordeel over een film? Geen filmrecensent wil geassocieerd worden met de pastorale filmkauwers en journalistieke moraalpredikers van weleer. Die stelden de zeden in de film en de mens achter de film centraal in hun oordeel. Zoals de katholieke Nederlandsche Film Actie het boek Goed of slecht (ondertitel: 'Ontwerp voor een handleiding tot het keuren van de aesthetische en moreele waarden van de speelfilm’): 'Een moreel hoogstaand mens zal moreel hoogstaande kunstwerken voortbrengen. Handige lieden verheffen een immoreel kunstwerk tot een artistiek fenomeen, om het verwijt van immoraliteit weg te kunnen schuiven.’ De criticus van nu heet onbevooroordeeld. Kunst is immers immoreel, om met François Stienen te spreken. De filmcriticus mag in zijn recensies geen morele oordelen over de samenleving hebben, zegt Trouw-redacteur Hans Kroon. En dus ook niet over de persoon van de regisseur, al vindt hij dat nog zo'n griezel. 'Na de ontzuiling werd de filmkritiek liberaal’, valt in menige studie over de Nederlandse filmgeschiedenis te lezen. Laten we de stukken over een aantal van die hoogculturele geweldfilms van het Rotterdamse festival van vorig jaar daar nu eens op nalezen. DE DEBUUTFILM van de jonge Harmony Korine, Gummo, over rondzwervende tieners in een deprimerend Amerikaans plaatsje, kreeg verleden jaar op het filmfestival in Rotterdam de prijs van de Nederlandse kritiek. Gummo werd geprezen om zijn eigenzinnige, surrealistisch getinte esthetiek en om zijn authentieke personages. Of zoals Petra van der Ree het in de Filmkrant zei: de regisseur was er 'niet op uit de personages belachelijk te maken’. Belinda van de Graaf in Trouw en Bart van der Put in Het Parool vonden de film echter een 'freakshow’, een 'deerniswekkende parade’. Dat is hun smaak, maar hun bewijsvoering is opmerkelijk. Van der Put beschrijft de film beeldend ('twee meisjes rukken plakband van hun tepels’) en concludeert: 'Korine (komt) met Gummo naar voren als een jongen die bovenal wil opvallen (…). In het tijdperk van Jerry Springer en Menno Buch is de komst van een Harmony Korine onvermijdelijk.’ De Graaf: 'Dat een geheel van commentaar verstoken, uiterst realistisch ogende, gewelddadige scène waarin een keukenstoel het moet ontgelden, vooral weerstand oproept, bleek wel toen een bezoeker van het Rotterdamse filmfestival, van wie verondersteld mag worden dat hij wel wat gewend is, met veel tamtam de zaal verliet en luidkeels opmerkte dat het hier om een wel heel zieke bedoeling ging.’ Harmony Korine schreef twee jaar eerder het scenario van de omstreden film Kids, die werd geregisseerd door Larry Clark. In Kids volgen we tieners in Manhattan een dag lang op hun heftige ontdekkingsreis in de wereld van seks, drugs, skaten, house en alcohol. De hoofdpersoon Terry ontmaagdt een rits meisjes - zonder condoom. Hij blijkt seropositief. De film werd door de Amerikaanse pers goed ontvangen. De Nederlandse filmkeuring bevond hem, conform de Amerikaanse, geschikt voor boven de zestien - ouder dan de meeste personages in de film. 'Kids: Intelligente en goed bedoelde film’, kopte het AD. Monique van de Sande schrijft: 'Clark maakt van Terry een rotzak, die geld van zijn moeder steelt en in Central Park een neger halfdood slaat.’ Terry gaat gestraft worden met aids. 'Een sterker pleidooi voor veilig vrijen, en misschien wel voor prettig gedrag in het algemeen, valt niet te verzinnen.’ Mark Moorman valt Van de Sande bij in Het Parool: 'Een sterke film die alle valkuilen probeert te omzeilen door van de lotgevallen van de kinderen een moralistische tragedie te maken (…) waarin seks met de dood wordt bestraft en drank- en drugsgebruik met langdurige kotspartijen.’ Moorman heeft wel zijn twijfels bij het motief van de maker. Die blijkt met name uit de 'erotiserende blik van de camera’. Hij voegt toe dat Clark een geduchte reputatie heeft als fotograaf van tienerseksualiteit: ’“Kinderporno”, riepen de tegenstanders van Clark, en geef ze eens ongelijk.’ Bart van der Put valt hem in dezelfde krant, met een terugblik van later datum, bij. 'De opzichtige manier waarmee Clarks camera over ontluikende borstjes en ontblote dijen glibberde, deed vermoeden dat het hem toch echt niet alleen om het welzijn van pubers te doen was.’ Hij vindt de film hypocriet. Petra van der Ree schrijft in de Filmkrant juist dat de jongeren bij haar weinig meer opriepen dan afkeer, met hun 'cynische arrogantie, hun fixatie op seks en drugs en de totale onverantwoordelijkheid waarmee ze in het leven stonden’. Antoinette Polak (NRC) is van mening dat Clark geen oordeel probeert te vellen. Dat vindt ze 'verwarrend en intrigerend’: er spreekt liefde voor de personages uit Kids. Ook Huib Stam (Volkskrant) heeft het gevoel 'naar kinderen van vlees en bloed te kijken’. Hij noemt de film 'ijzersterk’, ook omdat Clark geen 'misplaatste sentimenten’ gebruikt. En Kiki Jeanson vindt de film in Skrien 'schokkend en verfrissend’, alleen jammer van die expliciete waarschuwing aan het eind. WAT LEREN ONS deze recensies? Kids en Gummo worden door de meeste critici positief besproken. Maar met welke argumenten? Hier is, naast een paar recensenten - de drie laatsten - een stel dominees aan het woord! Een regisseur die wil opvallen met zijn film, wat is daar mis mee? Mag een filmregisseur geen belachelijke personages bedenken? Dan kan er bijna geen speelfilm door de beugel. Dacht de criticus wellicht dat zij naar een documentaire keek? Een film met een zieke bedoeling, wat is dat eigenlijk? Heeft de regisseur een zieke geest? Kun je het aan de beelden zien? Getuigt een commentaarloze, realistisch ogende, gewelddadige scène met een keukenstoel ervan? En wat is een goedbedoelde speelfilm? Bestaat er een goedbedoeld pianoconcert? Wordt een film bedoeld waarin de daders worden gestraft? Waarin niet opzichtig over ontluikende borstjes wordt 'geglibberd’? Een 'moreel hoogstaand kunstwerk’? En moet een speelfilmregisseur zich bekommeren om het welzijn van pubers? En wanneer is hij hypocriet? János Szász werd met The Witman Brothers vele malen 'wars van effectbejag’ genoemd: hij bracht het geweld tenminste niet opzichtig in beeld. In de recensies van Kids en Gummo speelt effectbejag van de maker blijkbaar ook een rol. Als men dat de bedoeling van de regisseur vindt, deugt zijn film blijkbaar niet - en hij evenmin. Want dan wil hij het geweld exploiteren, wat een ander woord is voor geld verdienen. Dat gaat niet samen met kunst. Is dat geen wonderlijk argument? Verleden week was er een documentaire op de tv over de vermaarde theater-, opera- en filmregisseur Franco Zeffirelli. Critici verwijten hem al decennia lang dat zijn ensceringen 'te populair’ zijn, te uitzinnig, te realistisch. Of hij dat erg vond? 'Ik zou nog veel populairder willen zijn’, was zijn antwoord. 'Denkt u dat een schilder enkel voor zijn eigen genoegen schildert? Hij wil dat mensen ervan genieten. Hij wil verkopen.’ Wat is film anders dan 'effectbejag’? REGISSEUR PAUL VERHOEVEN weet als de beste wat er bedoeld wordt met een moreel hoogstaande kunstenaar en een dito kunstwerk. Namelijk alles wat hij niet was, aldus de recencies van Spetters, zijn polder-Kids uit 1980. Het geweld in de film was opzichtig, evenals het taalgebruik, met vele drieletterwoorden: effectbejag dus. Verhoeven en scenarist Gerard Soeteman zijn uitgemaakt voor alles wat vies en voos is. Ze kregen de 'seksuele frustraties’ van hun personages toegedicht, die ze ook nog eens 'exploiteerden’. De verzonnen karakters werden verward met de werkelijkheid van de jeugd in Nederland, of wat men voor de werkelijkheid wenste te houden: Spetters geeft een vals beeld van 'onze’ Nederlandse jeugd - zo slecht en dom is de jeugd niet! Voor Paul Verhoevens latere, Amerikaanse films kan de kritiek nog wel respect opbrengen, al wordt hij om de 'niet-correcte’ personages in zijn films nog wel eens voor homo-, vrouwen- of dikzakkenhater uitgemaakt. Zijn laatste film, Starship Troopers, verdeelde de pers. De film is beschreven als een inktzwarte satire op een fascistoïde samenleving. Maar Mark van den Tempel stak in de Filmkrant de beschuldigende vinger op: 'Werd Flesh & Blood fascistisch amusement genoemd, Starship Troopers ís het.’ Henk ten Berge had Spetters twintig jaar eerder met soortgelijke bewoordingen in De Telegraaf omschreven. Zowel over Kids als over Starship Troopers hebben Nederlandse critici geschreven dat zij de film wel op hun artistieke waarde konden schatten, maar dat ze eraan twijfelden of het publiek dat ook kon. Dat vonden de keurders van de Nederlandsche Film Actie in 1946 ook. Voor bepaalde films achtten zij 'een zeker onderscheidingsvermogen’ nodig, terwijl voor andere films een 'grote geestelijke rijpheid’ vereist was. Niet alleen leeftijd maar ook intelligentie was kennelijk bepalend voor wie een film mocht zien. NRC-REDACTEUR Hans Beerekamp verwoordde een jaar geleden zijn angst dat het nieuwe soort gewelddadige films zonder moraal, waarvan er steeds meer lijken te komen, door de kijker verkeerd wordt uitgelegd. 'De Franse regisseur Bruno Dumont noemt zijn debuut La vie de Jésus een christelijke film, maar dat is even misleidend als de titel. Al wordt de hoofdpersoon op een bepaalde manier gekruisigd (…), met verlossing heeft deze amorele vertelling over het leven van jongeren in Bailleul, een godvergeten stadje met lege straten in Frans Vlaanderen, weinig te maken. (…) In formeel opzicht is La vie de Jésus interessant. Het probleem is dat de terechte angst van Dumont om te moraliseren in de praktijk uitgelegd kan worden als vergoelijking van rotzakkengedrag. De maatschappij heeft het ernaar gemaakt, en ze weten niet wat ze doen, natuurlijk. Maar het is de keuze van de regisseur-scenarist om wel uitgebreid stil te staan bij de daders (en niet bij de allochtone slachtoffers - ah). Voor de existentiële leegte van het bestaan in een negorij heb ik alle begrip, maar verkrachting en moord liggen niet helemaal logisch in het verlengde daarvan.’ Het aardige van deze recensie is dat Beerekamp zijn worsteling met het filmgeweld expliciet maakt, en probeert te scheiden van zijn artistieke oordeel. Al noemt hij de film een 'amorele vertelling’, de dader-optiek in de film is een keuze van de regisseur. Beerekamp lijkt deze artistieke beslissing op ethische motieven af te wijzen, omdat Dumont de jongens laat verkrachten en moorden. Beerekamp zegt niet of dat geweld geloofwaardig wordt gemaakt in de film. Blijkbaar vindt hij van wel en heeft hij er daarom juist moeite mee dat het getoond wordt. Vermoedelijk vindt hij ook dat speelfilms niet 'immoreel’ kunnen zijn. Maar ze kunnen wel fout overkomen. La vie de Jésus werd nogal bejubeld door de pers. Maar regisseur Dumont werd kriegelig van de ethische argumenten die tot deze waardering leidden. In een interview in Het Parool benadrukte hij dat zijn film geen statement is tegen racisme of werkloosheid, maar een poëtisch portret van één jongen, de hoofdpersoon Freddy. 'In ieder van ons schuilt een monster, ook in Freddy. (…) Voor mij is cinema een kunstvorm en zijn filmmakers kunstenaars. Het gaat mij niet om de werkelijkheid, maar om de waarheid.’ Die waarheid kan ook in een expressionistisch schilderij geuit worden, dat de werkelijkheid bepaald niet weerspiegelt, vervolgt Dumont. Interviewer Jos van den Burg worstelt vervolgens even hardop: 'Missschien heeft Dumont gelijk en moeten we zijn film niet met realistische ogen bekijken, al blijft dat lastig omdat zijn film zo nadrukkelijk een verband lijkt te leggen tussen typische plattelandsdomheid en geweld.’ DE FILMMINNENDE pater Jac Dirkse had, blijkens zijn boek Film en moraal uit de jaren vijftig, vooral moeite met films die het kwaad niet als kwaad lieten zien. Kwaad is er namelijk om bestraft te worden. In Funny Games van Michael Haneke, de meest omstreden film van het afgelopen jaar, werd het kwaad ook niet bestraft. De Oostenrijkse regisseur Michael Haneke verveelt zich bij films die onontkoombaar afstevenen op het goede einde. Dat einde is bereikt wanneer de slechteriken uitgeschakeld zijn en de slachtoffers, droever maar wijzer, hun leven kunnen voortzetten. 'Kalmeringspillen’ noemt hij zulke films. Hij creëerde een nachtmerrie over twee jongens die, zonder dat ze er een aanwijsbare reden voor hebben, een gezin terroriseren. Aan het einde van Funny Games zijn alle gezinsleden dood en gaan de jongens vrolijk op weg naar hun volgende slachtoffers. Het geweld zelf blijft buiten beeld, maar het kijken naar de lijdensweg van het gezin is nauwelijks te verdragen. Haneke had de jongens wel een motief meegegeven, maar dat was van een nogal abstract kaliber. Geen kille moeder, geen evidente rottijd van de oorlog zoals in The Witman Brothers, maar de geheel vergletscherde Oostenrijkse samenleving van nu, een kilte die hij uit de beelden liet spreken. Haneke is immoreel genoemd, amoreel en ook een schoolmeester, vreemd genoeg. Hans Beerekamp, die Freddy uit La vie de Jésus althans nog 'gekruisigd’ zag worden, schreef op waarom hij problemen had met Funny Games: 'Voor mij moet film de mogelijkheid van geestelijke bevrijding bieden.’ Hij vindt de film amoreel, omdat de catharsis ontbreekt. De helden van Funny Games gaan vrijuit en komen ook niet tot inkeer. Oedipus, het klassieke voorbeeld, stak zichzelf tenminste nog de ogen uit toen hij zich bewust was geworden van zijn zonden. Beerekamp is bang dat tegenstanders van zo'n film vol wreedheden en zonder catharsis argumenten in handen krijgen om censuur voor te stellen, zo schrijft hij. Maar wie zouden er moeten protesteren? Zelfs de critici maken zich drukker over filmgeweld dan over het feit dat de voorgenomen opheffing van de Filmkeuring nu al drie kabinetten lang wordt uitgesteld. Een flink aantal recensenten vond de grond te heet voor een artistiek oordeel over Funny Games. Ze schreven dan maar dat de film stof tot nadenken bood. 'Of je het nu wel of niet eens bent met Hanekes moralisme ten aanzien van media en geweld, de discussie kan na het zien van Funny Games weer in volle hevigheid losbarsten.’ (Belinda van de Graaf in Trouw). Ook de critici die positiever waren worstelden met de ontbrekende loutering. Mark Moorman in Het Parool: 'Het is de vraag of Haneke met zijn donderpreek niet zijn doel voorbijschiet.’ Ab Zagt stelt die vraag ook in het AD. Hij noemt Haneke 'een Don Quichot met een camera’. Moorman, Zagt en verschillende anderen vragen zich af of 'de boodschap van Haneke’ overkomt bij mensen die minder intelligent of rijp zijn dan de recenserende leidsman. Ze melden de lezer dus dat hij eigenlijk te dom is om zelf uit te maken wat hij van een film vindt. Dat vond Pater Dirkse ook. NA FUNNY GAMES is de kritiek op en de twijfel over de onbestrafte dader al vele malen teruggekeerd in recensies, waarbij vaak wordt verwezen naar Hanekes film. Er zijn weer heel wat gewelddadige, amorele films in aantocht. Hans Beerekamp smeekte, met een blik op het komende aanbod van Rotterdam, al om een paar films die troost bieden. In een tijd dat half Nederland uitloopt om per stille tocht een paar beroepscriminelen te Gorkum tot inkeer te bewegen, worstelen ook filmrecensenten met 'zinloos geweld’. Het zit de uitoefening van hun functie soms danig in de weg. En het ziet ernaar uit dat de relatie tussen de digitale werkelijkheid en het echte leven nog veel gecompliceerder en dubbelzinniger gaat worden. Beerekamp schrijft tenminste nog dat zijn weerstand tegen Funny Games berust op 'morele gronden’. Vaker lees je de moraal van de recensent verpakt in quasi-kunstzinnige termen. En soms krijgt wat kunstkritiek had moeten zijn de vorm van een column voor Ouders van Nu. Let extra op bij films over jongens die niet deugen.