O trouwe soep

MARJOLEINE DE VOS
HET WAAIT
Van Oorschot, 48 blz., € 12,50

Onlangs deed Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad verslag van een kaaskeuring. Ze gaf een impressie van de wijze waarop de jury, waar zij deel van uitmaakte, de smaak van de verschillende kazen beschreef. Eén ervan zou ‘tapdansen in de mond’. Het was alsof ik een hap van deze kaas genomen had. De woorden waren genoeg om die sensatie teweeg te brengen.

In Het waait, de derde dichtbundel van Marjoleine de Vos, wordt ook getapdanst, ditmaal door een kreeft, en klinkt het: ‘Kreeft tapdanst op tafel, lokt met zijn staart ons/ wijn walst in glazen bespikkeld met zon’. En meteen deinde ik op deze ritmische regels naar een terras aan zee ergens in een mediterraan land.

Dat De Vos aanstekelijk over eten kan schrijven, wisten we behalve uit de krant ook uit haar poëziedebuut Zeehond graag. Daarin was bijvoorbeeld het smakelijke gedicht Kooklust te lezen: ‘Met gretige borsten staat begeerte aan het aanrecht/ zoent het zaad uit tomaten, kijkt naar het zwellen/ van beslag onder vochtig doek’.

Misschien meer nog dan naar voedsel voor het lichaam is De Vos in haar recente bundel op zoek naar voedsel voor de ziel. Alledaagse handelingen in de keuken, om het huis en in de tuin geven aanleiding tot grootse bespiegelingen of pogingen daartoe. Een voorbeeld: de dichter neemt plaats in haar serre met een glas, wil genieten van groen en vogels; de gedachten dwalen af: ‘Wat is een mens ook voor een ding’. Maar een poging om die vraag te beantwoorden, verzandt in een gedachtestreepje en in de staccato slotregels ‘nu ja. Mooi hier. En stil./ Dat wou ik kwijt’. Hier is een dichter aan het woord die enerzijds haar grote gedachten wil relativeren en het zich niet te moeilijk wil maken en die anderzijds een pietsie kribbig wordt omdat het haar niet lukt te zeggen wat ze wil.

Die tweeslachtige toon waarbij een soort Bourgondische uitgelatenheid gepaard gaat met een lastige zoektocht naar iets groters klinkt in de hele bundel. Daarin komt ook Mevrouw Despina, het alter ego van De Vos waarmee we eerder kennismaakten, aan het woord. Zoals in het, opnieuw in de tuin gesitueerde, gedicht Mevrouw Despina’s mislukte mystiek: ‘Gezocht: docenten onthechting en vrede/ die haar kunnen voorgaan in eindelijk hier zijn’. ‘Hier’, dat is misschien wel het meest cruciale woord in deze poëzie, een ‘hier’ dat gesitueerd wordt tegenover een ‘al’. In dat ‘hier zijn’ heeft Mevrouw Despina haar leermeester gevonden in de in 2003 overleden dichter C.O. Jellema. Al lezen we in Mevrouw Despina is wispelturig, een gedicht ter nagedachtenis van hem geschreven: ‘Hij wees een weg maar zij/ steeds aarzelend, bleef staan –’

Recent verschenen bij uitgeverij Kleine Uil twee kleine uitgaven voor en over C.O. Jellema: een poëtische hommage en een boekje met herinneringen. Aan beide uitgaven werkte Marjoleine de Vos mee. In deze laatste bundel schrijft zij: ‘Over dat probleem, het niet aanwezig kunnen zijn in het heden, in het moment, zonder altijd maar weer naar tekortschietende bewoordingen op zoek te gaan, schreef de dichter Jellema heel vaak. Het verlangen om zo aanwezig te zijn als alleen maar het onbewust levende kan, strookte niet met een overbewust levende en kijkende dichter.’ En daarmee heeft ze het tegelijk over haar eigen poëzie. Jellema schrijft in een van zijn gedichten over een ‘babykrab’, een beestje kleiner dan de nagel van een pink, dat ís te midden van basaltblokken en zee; bij De Vos vinden we deze gedachte verwoord met betrekking tot een koe: ‘alleen maar kauwen op het gras/ waaraan geen denkwerk of laat staan een god te pas’.

Mevrouw Despina’s mystiek is niet voor niks mislukt, ze houdt te veel van kaas en vis om onthecht te kunnen raken. Tegelijkertijd is de etenstijd misschien wel het enige moment waarop gedachten tot stilstand komen, de rede even uitgeschakeld is. Aan tafel zijn voedsel voor lichaam en geest kortstondig één.

Je moet beseffen ’t is de duivel in de boerenkaas

de haas verleidt je heilige in haar woestijn

je zou veel beter mysticus met kalme blik

een mager mens met niets tevreden kunnen zijn.

O lieve room o trouwe soep o dom geluk

van groot gebraad, ik ben onthecht

van elke wens bij koele drank met een mens

direct aan zee en verse mul voor twee.

Het zijn doortimmerd lichte gedichten in Het waait, met elliptische zinnen, gedachtestreepjes, levendige beelden als die tapdansende kreeften en met rijm dat kan sprankelen als gekoelde witte wijn in een glas.

Een enkele keer heeft De Vos de saus over haar gedichten iets te glad gestreken, had ze bij het toevoegen van de specerijen best even mogen uitschieten met de peper, had ze in die tuin een tak uit een boom mogen laten vallen of nog eens een brommer voorbij laten scheuren, zoals gebeurt in De ziel, een kudde schapen – opnieuw zo’n gedicht waarin De Vos je ongemerkt van hier naar een elders brengt. Vernuftig hoe de ziel van een kudde schapen ineens is verhuisd naar onze jongens en hun missie (in Uruzgan, denk je er onwillekeurig achteraan). Je zou het huis-, tuin- en keukenpoëzie kunnen noemen, ware het niet dat je al lezend in de gedichten van Marjoleine de Vos ver van huis vandaan kunt raken.