Essay - Over de terugkeer van de vijand in de hedendaagse politiek

‘O vrienden, er zijn geen vrienden’

Hoe moeten we reageren op de vijanden die ons vandaag bedreigen? Carl Schmitt vindt dat we waar nodig de strijd met de tegenstander moeten aangaan. Volgens Jacques Derrida is het onderscheid tussen vriend en vijand niet zo absoluut.

Medium hh 54853860

Tijdens zijn bezoek aan Brussel op 25 maart, enkele dagen na de aanslagen, sprak de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry de volgende woorden: ‘Na de aanslagen van 9/11 klonken stemmen uit heel Europa: “Je suis Américain.” Vandaag zeggen wij: “Je suis Bruxellois, ik ben Brussels.”’ Deze uitspraak wekt de suggestie van een anachronisme: in 2001 waren er, ondanks alle verontwaardiging over de aanslag op de Twin Towers, maar weinig Europeanen die zeiden: ‘Ik ben Amerikaan’ (en zeker niet in het Frans). Met terugwerkende kracht voegt Kerry dus een nieuw element toe aan de reeks die in 2015 begon met de breed gedeelde leus ‘Je suis Charlie’. Hiermee verklaart hij zich niet alleen solidair met Brussel en impliciet met Parijs en heel Europa. Hij benadrukt vooral ook de lotsverbondenheid tussen het Amerikaanse en het Europese volk: we hebben te maken met hetzelfde kwaad, dat we met elkaar moeten zien te bestrijden. Omgeven door zoveel duistere krachten is het belangrijk om de vriendschap en het wij-gevoel te versterken.

Van verschillende kanten worden we momenteel in Europa bedreigd. Vanuit het oosten door de expansiepolitiek van Rusland in Oekraïne en Syrië, vanuit het Midden-Oosten door de opmars van IS, en van binnenuit, op ons eigen grondgebied, door de aanwezigheid van jihadisten.

In 1992 had Francis Fukuyama in The End of History and the Last Man nog voortijdig het einde van de geschiedenis en de triomf van de westerse liberale democratie aangekondigd. Maar de laatste jaren doen zich – met 9/11 als symbolisch beginpunt van de nieuwe geschiedenis – in Europa en daarbuiten steeds vaker schokkende gebeurtenissen voor die onze manier van samenleven in het hart raken. De terroristische aanslagen in Brussel zijn daarvan het meest recente voorbeeld. Vorig jaar november waren er in Parijs de aanslagen op het uitgaansleven en eerder op het satirische weekblad Charlie Hebdo en een joodse supermarkt. IS-strijders onthoofdden (vooral) westerse gevangenen en vernietigden Assyrische kunstschatten. In 2005 waren er terroristische aanslagen in Londen (met 52 doden en ruim zevenhonderd gewonden) en in 2004 in Madrid (191 doden, ruim veertienhonderd gewonden).

De vijand lijkt bezig met een comeback. Of, liever gezegd, er dreigt een proliferatie van vijanden die in verschillende gestalten op ons af komen: IS, al-Qaeda, de Taliban, de ‘radicale’ of ‘politieke’ islam, de Russische president Poetin en ga zo maar door. Hoezeer hun motieven en ingezette middelen ook verschillen, deze vijanden hebben met elkaar gemeen dat ze zich op gewelddadige wijze verzetten tegen de westerse orde, die door de Verenigde Staten in stand wordt gehouden met hulp van bevriende Europese landen.

***

Wie is de vijand? Wat maakt iemand tot vijand? En hoe om te gaan met de vijand? Volgens de omstreden Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt is het onderscheid tussen vriend en vijand de kern van het politieke. In zijn boek Der Begriff des Politischen uit 1927 (in het Nederlands vertaald als Het begrip politiek) geeft hij aan dat ‘het politieke’ niet de politiek van alledag betreft maar datgene waar het volgens hem politiek gezien uiteindelijk om draait: de bevestiging en het behoud van de eigen identiteit tegenover krachten die deze identiteit bedreigen, desnoods met geweld. Hij verwijt verdedigers van de liberale rechtsstaat dat zij de ware aard van het politieke miskennen en er een ‘eeuwig gesprek’ van willen maken, waarbij principiële keuzes uit de weg worden gegaan.

Met de vijand is geen rationele discussie mogelijk en is elk compromis uitgesloten; daarvoor zijn de ziens- en zijnswijzen te verschillend. De vijand hoeft niet in morele zin slecht te zijn of esthetisch gezien lelijk, zo stelt Schmitt. We kunnen er zelfs zaken mee doen, wanneer dat tot wederzijds voordeel strekt, zoals de levendige handel in olie en Assyrische kunstschatten laat zien. De vijand is het vreemde dat met het eigene onverenigbaar is en dat de ontkenning van het eigene betekent. De tegenstelling tussen vriend en vijand kan zo hoog oplopen dat er een existentieel conflict ontstaat dat kan uitmonden in een strijd op leven en dood. Het doden van de vijand is dus een reële mogelijkheid wanneer het eigen voortbestaan en de eigen identiteit op het spel staan.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt Schmitt uit zijn hoogleraarsambt gezet vanwege zijn betrokkenheid bij het naziregime; in 1933 wordt hij lid van de nsdap en tot 1936 werkt hij onder meer als Preussischer Staatsrat. Ook in publicaties die nadien verschijnen blijft Schmitt het politieke definiëren in termen van de tegenstelling tussen vriend en vijand. Wel relativeert hij het onderscheid enigszins en legt hij, mogelijk om opportunistische redenen, minder nadruk op de mogelijkheid van het doden. In Theorie des Partisanen (1963) gaat Schmitt vooral in op het belang van de vijand voor de eigen identiteitsvorming. Hij omschrijft hierin de vijand als volgt: ‘De vijand doet zich voor in de gestalte van onze eigen vraag. De vijand is niet iets wat om een willekeurige reden uit de weg geruimd moet worden en vanwege zijn gebrek aan waarde vernietigd moet worden. De vijand bevindt zich op mijn niveau. Om die reden moet ik de strijd met hem aangaan, om mijn eigen grootte, mijn eigen grens, mijn eigen gestalte te bepalen.’

‘Ik moet de strijd met de vijand aangaan, om mijn eigen grootte, mijn eigen grens, mijn eigen gestalte te bepalen’

De karakterisering ‘De vijand doet zich voor in de gestalte van onze eigen vraag’ – in het Duits: ‘Der Feind ist unsere eigene Frage als Gestalt’, ontleend aan het gedicht Sang an Palermo van Theodor Däubler – is raadselachtig. Terwijl hij de vijand eerder opvatte als het volstrekt vreemde, stelt Schmitt nu dat de vijand op de een of andere manier ook met het eigene is verbonden: de vijand verschijnt aan ons in de vorm van ‘onze eigen vraag’ en bevindt zich op ‘ons eigen niveau’. De vijand is degene die ons, als ‘onze eigen vraag’, als vraag van onszelf aan onszelf, in Frage stelt. In zekere zin creëren we zelf onze vijand door hem als vijand te erkennen.

In het dagboek dat Schmitt net na de oorlog in gevangenschap bijhoudt, noteert hij: ‘Wie kan ik überhaupt als mijn vijand erkennen? Blijkbaar alleen degene die mij in twijfel (“in Frage”) kan trekken. Doordat ik hem als vijand erken, erken ik ook dat hij mij in twijfel kan trekken. En wie kan mijzelf in twijfel trekken? Alleen ik mezelf.’ We komen hiermee in een vreemde cirkel terecht: de vijand is degene die ons ter discussie kan stellen, maar de enige die in staat is om ons ter discussie te stellen, zijn wij zelf. Zijn wij dan onze eigen vijand? Duidelijk is in ieder geval dat er in de existentiële strijd een relatie tussen vriend en vijand ontstaat die bepalend is voor de eigen identiteit. We hebben de vijand nodig om onszelf te bevestigen en onze eigen ‘grootte, grens en gestalte’ vast te stellen. In de privé-sfeer is het mogelijk de vijand lief te hebben, in de publieke sfeer niet. Uiteindelijk gaat het om de vraag wie de macht heeft: de politieke vijand is degene die ons als gemeenschap met een machtsaanspraak tegemoet treedt en ons tot een politieke strijd uitdaagt, met als mogelijke uiterste consequentie een strijd op leven en dood.

De wijze waarop we op deze uitdaging reageren, bepaalt wie we zijn. Schmitt waarschuwt dat we van de vijand geen ‘vijand van de mensheid’ moeten maken en geen totale vernietigingsoorlog moeten ontketenen. Het gaat er niet om de vijand uit te roeien, maar om hem terug te dringen op zijn eigen gebied, een grens te trekken, zodat hij ons niet langer bedreigt. In een herziene versie van Der Begriff des Politischen wijst hij de notie van een absolute vijand af: ‘Hiermee is duidelijk gezegd dat het hier gehanteerde vijandbegrip zijn betekenis ontleent, niet aan de vernietiging van de vijand maar aan de verdediging, aan het meten van de krachten en het vaststellen van een gemeenschappelijke grens. Er bestaat echter een absoluut vijandbegrip dat hier als onmenselijk wordt afgewezen.’

***

Naar aanleiding van de aanslag van 9/11 heeft de Italiaanse filosofe Giovanna Borradori haar collega’s Jürgen Habermas en Jacques Derrida geïnterviewd over de war on terror (in Philosophy in a Time of Terror, 2003). Hoewel deze oorlog officieel niet meer bestaat – de Amerikaanse president Barack Obama spreekt liever van een ‘overseas contingency operation’ – wordt er nog steeds in termen van oorlog gedacht en gesproken als het gaat om terrorismebestrijding. Na de aanslag op Charlie Hebdo verklaarde de Franse president François Hollande de oorlog aan IS, wat de Franse premier Manuel Valls na de aanslagen in Brussel bevestigde, en eind vorig jaar zei ook onze minister-president Mark Rutte: ‘Isis is onze vijand, daarmee zijn we in oorlog.’ In het interview uiten Habermas en Derrida kritiek op Schmitts karakterisering van het politieke en op zijn vijandbeeld. Zowel Habermas als Derrida wijst erop hoe moeilijk het is om tegenwoordig de vijand te identificeren.

Medium hh 54853441

Volgens Habermas kan men nooit weten wie zijn vijand is. Sinds al-Qaeda heeft het terrorisme een nieuwe vorm aangenomen, waarbij terroristen zich organiseren in netwerken verspreid over de hele wereld. Als gevolg hiervan kan niet meer eenvoudig en eenduidig worden vastgesteld wie de vijand is, waar hij zich bevindt en welk gevaar hij vertegenwoordigt. Het gaat volgens Habermas om fundamentalisten die, in afkeer van de moderne, op consumptie gerichte cultuur van het Westen waarvan zij maar weinig profiteren, terugvallen op premoderne religieuze overtuigingen. Vanuit zijn discours-ethisch perspectief ziet hij communicatie als de kern van het probleem en tegelijk als de sleutel tot de oplossing ervan: ‘De geweldsspiraal begint als een spiraal van verstoorde communicatie die leidt tot een spiraal van ongecontroleerd wederzijds wantrouwen, tot het verbreken van de communicatie.’

Terwijl Habermas vooral ingaat op de praktische onmogelijkheid om de vijand vast te stellen – tegen welke mensen, groepen of organisaties wordt de war on terror nu eigenlijk gevoerd en hoe kunnen zij worden gevonden en bestreden? – zet Derrida zijn strategie van de deconstructie in om, op een meer fundamenteel niveau, de begrippen ‘oorlog’ en ‘terrorisme’ ter discussie te stellen, met inbegrip van het onderscheid tussen vriend en vijand dat hieraan ten grondslag ligt. Hij beschrijft de war on terror in termen van een auto-immuunziekte: de strijd tegen het terrorisme is in wezen een strijd met en tegen onszelf en hoe harder we aanvallen, des te groter wordt de weerstand.

We hebben de vijand gevoed, we hebben hem getraind, we hebben hem voorzien van de wapens waarmee hij ons aanvalt

Met het beeld van auto-immuniteit ondergraaft Derrida de klassieke tegenstelling tussen vriend en vijand op ten minste drie manieren. Het laat ten eerste zien dat er nooit een scherp en absoluut onderscheid gemaakt kan worden tussen de twee polen: de vijand leeft binnen de gemeenschap van vrienden en is hiermee, zoals een parasiet met zijn gastheer, onlosmakelijk verbonden. Vrienden spannen, meestal zonder het te weten, met de vijand samen en onderhouden en ondersteunen hem. Dat verklaart ook waarom mensen die gedurende lange tijd hebben geleefd en gewerkt met latere zelfmoordterroristen zo gechoqueerd reageren wanneer zij achter de ware aard van hun ‘vrienden’ komen.

Ten tweede hebben we de vijand aan wie we de oorlog hebben verklaard zelf in het leven geroepen en houden we hem zelf in leven. We hebben hem gevoed, we hebben hem getraind, we hebben hem voorzien van de wapens waarmee hij ons aanvalt, zoals de aanslag van 9/11 laat zien. In deze zin strijden we tegen onszelf als we de vijand bestrijden. Sterker nog, de vijand bestaat alleen als gevolg van de oorlog die we tegen hem ontketend hebben en zolang we bereid zijn deze oorlog voort te zetten. Om een oorlog te rechtvaardigen is het noodzakelijk, zoals de wetenschappers Michael Hardt en Antonio Negri stellen in Multitude: War and Democracy in the Age of Empire (2004), dat er een (reële of fictieve) vijand kan worden aangewezen: ‘Als oorlog de basis van politiek constitueert, dan is de vijand constituerend voor de legitimatie. De aanwezigheid van de vijand bewijst de behoefte aan veiligheid.’ Het gevaar is dat we, in de strijd tegen de vijand, en daarmee dus tegen onszelf, uiteindelijk onszelf en alles waar we voor staan verliezen, inclusief onze normen en waarden.

Juist omdat hij onlosmakelijk met ons is verbonden en door ons in het leven is geroepen is het, ten derde, heel moeilijk, misschien zelfs onmogelijk, om de vijand te identificeren. Volgens Schmitt veronderstelt het politieke de mogelijkheid om een onderscheid te maken tussen vriend en vijand en uiteindelijk, wanneer de tegenstelling haar hoogste intensiteit heeft bereikt, om te doden. Maar wie is de vijand? Wie moeten we doden? In Politics of Friendship (1997) betoogt Derrida uitvoerig dat de idee van een zuivere of ‘echte’ vijand, waarvan Schmitt uitgaat, een illusie is. De vijand, die ons in de gestalte van ‘onze eigen vraag’ ter discussie stelt, lijkt in veel opzichten op de vriend en is hiervan vaak nauwelijks te onderscheiden. Wat we bevechten is een hybride constructie, deels vriend deels vijand, een ‘friend enemy army’.

Zoals Hardt Negri aangeven, mist de war on terror een duidelijk doel en doelwit, zodat iedereen een vijand kan worden maar daarmee ook een vriend. ‘Voorzover de vijand abstract en onbeperkt is, is de alliantie van vrienden ook expansief en potentieel universeel.’ Derrida gaat nog een stap verder: ‘vriend’ en ‘vijand’ zijn niet alleen abstracte en grenzeloze categorieën, ze kunnen ook zozeer in elkaar op- en overgaan dat ze niet meer van elkaar te scheiden zijn. Dit blijkt uit hoe eenvoudig personen of groepen van positie kunnen wisselen: vrienden verworden tot vijanden (zoals Osama bin Laden, die eens door de VS werd gesteund in zijn strijd tegen de Taliban) en, omgekeerd, vijanden kunnen opeens weer vrienden worden (zoals de Syrische president Assad, die in vergelijking met IS als de lesser evil verschijnt, of de pkk die door het Westen wordt geholpen in haar strijd tegen IS; ook de Russische president Poetin lijkt langzaam weer salonfähig te worden).

***

Uit deze discussie over de vijand zijn verschillende conclusies te trekken over hoe we in de huidige tijd zouden moeten reageren op de vijanden die ons vanuit verschillende kanten lijken te bedreigen. Om te beginnen ben ik bereid met Schmitt aan te nemen dat er zich situaties kunnen voordoen waarin ons geen andere keuze rest dan om ons teweer te stellen tegen krachten die ons leven en onze manier van leven ernstig bedreigen. Zoals voormalig president George Bush wel moest reageren op de aanslag van 9/11 moeten we ons tegen de opmars van IS verzetten, nu het kalifaat zich tot dicht aan de grens van Europa heeft uitgebreid en een gevaar vormt voor westerse burgers en belangen.

Ik beschouw het vriend-vijand-onderscheid echter niet als de kern van het politieke, want het gaat er in mijn opvatting juist om polarisatie in de samenleving zoveel mogelijk tegen te gaan en het niet te laten aankomen op een strijd op leven en dood. Waar mogelijk moet, zoals Habermas aangeeft, worden ingezet op een verbetering van de communicatie, zowel bij de opvoeding en in het onderwijs als in het overheidsbeleid en het publieke debat. Om die reden ben ik ook geen voorstander van een eenzijdig repressieve aanpak van terroristen, zoals die naar voren komt in recente beleidsplannen en wetswijzigingen, zoals de verruiming van de mogelijkheid om teruggekeerde jihadisten het Nederlanderschap te ontnemen. Geweld is ultimum remedium, maar een remedie die onvermijdelijk de kwaal in stand houdt en deze vaak nog verergert.

Vervolgens heeft Schmitt ongetwijfeld gelijk wanneer hij stelt dat het voor onze identiteit bepalend is wie we tot vijand verklaren en hoe we hem tegemoet treden. Hij waarschuwt terecht dat we niet in een vernietigingsoorlog terecht moeten komen, waarbij het doel is de volledige uitroeiing van de vijand. Het gaat er vooral om de vijand terug te dringen tot zijn eigen gebied, zodat hij geen bedreiging meer voor ons vormt. We moeten de vijand niet demoniseren tot een ‘vijand van de mensheid’ en erkennen, zoals Derrida stelt, dat het onderscheid tussen vriend en vijand niet altijd en niet makkelijk te maken valt. Omdat onze reactie ons maakt tot wie we zijn, dienen de middelen die we inzetten te passen bij ons ethos.

Alleen omdat mensen er anders uitzien, er andere gewoontes op nahouden, hoeven we hun nog niet de oorlog te verklaren

Ethos is een begrip uit de klassieke retorica van Aristoteles, waarmee het karakter van de spreker wordt aangeduid: de spreker overtuigt door zich als een geloofwaardig en rechtschapen persoon te presenteren. Het normatieve kader voor ons politiek handelen wordt nog altijd – ondanks alle ferme populistische retoriek van politici als Geert Wilders – gevormd door de democratische rechtsstaat. Als we in naam van de vrijheid en ter bescherming van onze rechtsstaat de strijd tegen het terrorisme aangaan, moeten we die vrijheid niet opgeven, maar zoveel mogelijk binnen het kader van de rechtsstaat blijven opereren. Dat staat nu steeds meer onder druk: in antiterrorismewetgeving wordt gewerkt met een vage normstelling (zoals ‘terroristisch oogmerk’); de minister van Justitie heeft een welhaast onbeperkte doorzettingsmacht gekregen om, in geval van een acute terreurdreiging, alle noodzakelijk geachte maatregelen te treffen; de mogelijkheden voor het volgen van burgers en de opslag van data zijn aanzienlijk verruimd, enzovoort.

Omwille van de veiligheid krijgt het bestuur (de regering, de politie, de veiligheidsdiensten) steeds meer macht, terwijl de mogelijkheid tot controle op en beperking van de bestuursmacht vanuit het parlement en de rechterlijke macht juist afneemt. We dreigen daarmee, zoals de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben eerder al voorspelde, terecht te komen in een permanente uitzonderingstoestand: ‘Oog in oog met de voortgang van wat de global civil war wordt genoemd, dreigt de uitzonderingstoestand in toenemende mate het dominante bestuursparadigma te worden in de hedendaagse politiek’ (in State of Exception, 2005).

Tot slot moeten we oppassen voor wat Derrida treffend beschreef als de ‘logica van auto-immuniteit’: ‘Door het terrorisme de oorlog te verklaren, heeft de westerse coalitie een oorlog tegen zichzelf ontketend.’ Hoe harder we de vijand pakken, des te harder slaat hij terug. Het is de kunst om deze escalatie, waartoe het terrorisme uitnodigt en uitdaagt, bijvoorbeeld door schrijnende beelden van onthoofdingen en vernielingen van kunstschatten en propagandafilmpjes met provocerende teksten via internet te verspreiden, tegen te gaan en de geweldsspiraal te keren. Uit angst creëren we onze eigen Angstgegner die we, juist door onze angst, groter en gevaarlijker maken. De vijand van buiten moeten we vooral buiten houden, maar laten we ook geen voeding geven aan de interne vijand. Omringd door vijanden blijft het van belang om te investeren in vriendschap.

***

In het politieke denken van Carl Schmitt is er geen plaats voor de categorie van de vriend. Een uitspraak die vaak aan Aristoteles wordt toegeschreven – onder anderen door Montaigne, Kant en Nietzsche (ook Derrida gebruikte het als motto voor zijn boek over de politiek van de vriendschap) – luidt: ‘O vrienden, er zijn geen vrienden’ (‘o philoi, oudeis philos’). Maar, zoals Agamben heeft laten zien, zei Aristoteles eigenlijk: ‘Hij die (veel) vrienden heeft, heeft niet één enkele vriend’ (o – met een streep op de ‘o’ – philoi, oudeis philos). Deze uitspraak bevat een dubbele boodschap: Aristoteles ontkent niet de mogelijkheid of het belang van vriendschap, integendeel, maar geeft wel aan dat er een grens is aan de hoeveelheid vriendschappen die we kunnen onderhouden: we kunnen niet met alles en iedereen vrienden worden, want dan houden we geen echte vriend meer over. Vriendschap is alleen mogelijk tussen mensen die elkaar niet geheel vreemd zijn, die ook iets van zichzelf in de ander terugvinden.

Hieruit volgen twee belangrijke lessen voor de huidige politieke situatie. Ten eerste moeten we niet schromen om, waar mogelijk binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat, de strijd aan te gaan met mensen die op ons territoir in woord en daad onze samenlevingsvorm ten principale afwijzen en bestrijden. Het mag duidelijk zijn dat op ons grondgebied geen plaats is voor haatpredikers en jihadronselaars die mensen opstoken om zich met geweld tegen onze samenleving te keren en voor terroristen die aanslagen voorbereiden en plegen.

Ten tweede moeten we ons blijven inspannen om in gesprek te blijven en de band te versterken met hen die zich buiten gesloten voelen en zich in de marge van onze samenleving bevinden, vaak jonge Marokkanen in achterstandswijken, om te voorkomen dat ze ontvankelijk worden voor radicalisering. Hier ligt een belangrijke verantwoordelijkheid voor met name ouders, plaatselijke imams, buurtwerkers en docenten.

Tegelijk moeten we ervoor waken om iedereen met wie we geen vriend kunnen worden tot vijand te bestempelen. Alleen omdat mensen er anders uitzien en anders praten, er andere overtuigingen en gewoontes op nahouden, hoeven we hun nog niet de oorlog te verklaren. Wat onze manier van samenleven juist zo waardevol maakt is dat deze, binnen de grenzen van de wet, ruimte laat aan diversiteit. Tot ons ethos behoren van oudsher waarden als gematigdheid, vredelievendheid en tolerantie. Onze samenleving is bovendien geen statisch gegeven en kan zich, onder invloed van de dialoog met andersdenkenden, verder ontwikkelen. Dat is geen ‘oikofobie’, zoals Thierry Baudet het uitdrukt, maar een gezonde openheid en ontvankelijkheid voor het andere, mogelijk gemaakt door een vertrouwen in de waarde van het eigene.


Prof. dr. Bart van Klink is als hoogleraar methoden van recht en rechtswetenschap verbonden aan de afdeling rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam

Beeld: (1) Afghanistan, Dashti-Kala, in de provincie Takhar. 1 november 2001. Amerikaanse B-52’s bombarderen Taliban-stellingen (Thomas Dworzak / Magnum Photos); (2) 11 september 2001. New York City. Na het instorten van de Twin Towers (Steve McCurry / Magnum Photos)