De aaibaarheidsfactor van de peuter

Obama, de babyfluisteraar

De afgelopen jaren lijkt het kussen van baby’s belangrijker dan ooit voor beleidsmakers. De politicus die voor het oog van de camera’s het vlees en bloed van een potentiële kiezer weigert, tekent zijn politieke doodvonnis.

Candide’s leermeester Pangloss verkondigde met enige overtuigingskracht dat we in de best mogelijke van alle werelden leven. Soms is er een wereldreis vol ontberingen voor nodig om je te realiseren dat er op dat idee wat valt af te dingen, soms volstaat een enkele oogopslag om te zien dat er iets niet klopt. In dit specifieke geval is direct duidelijk dat de baby die de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens vasthoudt te groot is.

Janssens bracht in september de eenmalige glossy Patrick uit, als aftrap van zijn verkiezingscampagne. Op het omslag prijkt een foto van de burgemeester met zijn zoontje. Het eenjarige kind is naakt en, om het oneerbiedig te zeggen, over de burgemeester heen gedrapeerd als een miniatuurtoga. Daaronder in kapitalen de zin: ‘Antwerpen uit de luiers’. Het beeld haalde de voorpagina’s van de populaire Vlaamse kranten en al gauw klonk het verwijt dat Janssens ‘zijn kind in de strijd gooide’; het zou onderdeel zijn van een uitgekiende mediastrategie. De werkelijkheid is, zoals vaker, vermakelijker. De makers van het blad hadden het plan opgevat de gerenommeerde fotograaf Herman Selleslags een paar dagen met Janssens op te laten trekken om ‘unplugged’ foto’s te schieten. Toen Selleslags terugkwam, bleek dat Janssens hem had gevraagd ook enkele beelden voor het familiealbum te maken. Waar het voor de makers direct duidelijk was dat deze foto de cover moest worden, twijfelde de burgemeester naar verluidt tot de dag voor het drukken voordat hij uiteindelijk zijn zegen gaf.

Een politicus met een kind in zijn armen, dat is een cliché van jewelste. Maar wat de makers goed begrepen, is dat een goed uitgevoerd clichébeeld een verhoogde kans heeft de status van icoon te bereiken. De Standaard noemde de keuze ‘verrassend’, omdat de burgemeester zijn privé-leven doorgaans afschermt. In een reactie zei Janssens: ‘We hebben mijn zoontje bewust niet herkenbaar afgebeeld. Het beeld is vooral symbolisch: als burgervader bescherm ik de stad als mijn kind.’

Baby’s en politici: het lijkt een vreemd huwelijk. Toen ik student politicologie was, werd het idee dat politiek draait om niets anders dan macht, de ultieme banaliteit, er bij mij vanaf de eerste dag vakkundig ingeramd. En als het niet om macht gaat, dan gaat het wel om invloed. Maar wie in deze crisistijden een beetje oplet kan zich niet aan de indruk onttrekken dat alle politiek uiteindelijk draait om ‘onze kinderen’. In the long run our children won’t be dead, zoiets.

Janssens mag een uitgesproken linkse politicus zijn, zijn argument voor het gebruik van de foto is conservatief. Het kind symboliseert altijd de toekomst en heeft als ‘prop’ tot doel empathie op te roepen, maar de uitleg die daar vervolgens aan wordt gegeven kan conservatief of progressief zijn. In het eerste geval hoopt de politicus het beeld van ‘vaderlijke’ geborgenheid en betrouwbaarheid op te roepen, het idee dat land en toekomst in goede handen zijn. In het tweede geval verpersoonlijkt het kind de verplichting aan een betere toekomst te werken: de noodzakelijkheid van idealen verpakt in een zacht roze omhulsel.

Een derde interpretatie cirkelt rond het begrip onschuld. Er zijn maar weinig politici die de vraag oproepen die David Foster Wallace zag als het mysterie van John McCain: ‘Hoe valt [zijn] imago van een eerlijk en oprecht mens te rijmen met het feit dat hij een kandidaat is, op zoek naar kiezers?’ Nee, de doorsnee politicus heeft het moeilijker: hij weet dat de gemiddelde kiezer er in het beste geval van uitgaat dat alle politici liegen, maar dat een enkeling dat oprechter doet dan de anderen.

Tot slot kun je de gretigheid waarmee politici zich baby’s laten opdringen uitleggen als een strategische keuze om vrouwen aan te spreken. In 1886 schreef het tijdschrift Babyhood al: ‘Het eerste moment waarop een politicus deze methode [“baby kissing”] inzette om bij moeders in het gevlij te komen, is niet overgeleverd. Henry Clay, Tom Corwin en Van Buren deden het vaak; en ik geloof dat het Davy Crocket was die opschepte dat hij ieder kind in zijn district had gekust.’ Onlangs publiceerde The Young Economist een artikel met soortgelijke strekking: het overwicht van vrouwen binnen de totale kiezerspopulatie zou baby kissing in de hand werken.

Welke uitleg je ook verkiest, het gebruik heeft hoe dan ook iets opportunistisch. Hoewel politici wereldwijd baby’s oppakken en zoenen, lijkt het, als zoveel moderne fenomenen, toch vooral iets door en door Amerikaans – niet toevallig het land dat zo ontzettend trots is op de onmetelijke wijsheid van zijn founding fathers. Er is een Engelstalige wiki gewijd aan ‘baby kissing’, al is de pagina behoorlijk leeg en is de enige bron een standaard lesboek voor het middelbaar onderwijs waarin de term een enkele keer valt. Nooit werd er uitgebreid historisch onderzoek gedaan naar het fenomeen, het dichtst bij de titel standaardwerk komt waarschijnlijk een artikel dat de Amerikaanse journalist Dave Gilson schreef voor het tijdschrift Mother Jones: ‘Politicians Kissing Babies: A Short History’.

Het eerste baby kissing-incident waarbij een president betrokken is, vindt plaats in 1833. Tijdens een reis door de oostelijke staten wordt president Andrew Jackson benaderd door een arme, blootshoofdse vrouw met een kind onder haar arm: ‘Ze overhandigde het smoezelige kind. Old Hickory hield het voor zich omhoog en zei: “Ah, een fijn exemplaar van de Amerikaanse jeugd (…).” Waarop hij het kind vlug in de handen van zijn minister van Oorlog generaal Eaton duwde en met sobere stem zei: “Eaton, kus hem?” Terwijl het publiek lachte, gehoorzaamde de generaal met een verwrongen gezicht.’

Eind negentiende eeuw begint het fenomeen weerstand op te roepen. Feministe Elizabeth Cady Stanton moet er bijvoorbeeld weinig van hebben, instemmend citeert ze een anonieme redacteur van The New York Tribune die toegeeft dat baby kissing weliswaar good politics is, omdat het de trotse vader pleziert, en de sympathie van het publiek, dat dit vaderlijke gebaar aanschouwt, garandeert, maar die ook stelt: ‘Kinderen moeten niet het slachtoffer worden van ieder officieel aimabel mens in hun omgeving. De praktijk waarbij kinderen on sight worden gezoend is vervelend, en moet worden vermeden. Er is echter een serieuzere kijk op de zaak, aangezien the germs of disease op deze manier kunnen worden verspreid.’

Halverwege de twintigste eeuw besteedt Life Magazine regelmatig aandacht aan baby kissing. In 1950 adviseert het tijdschrift politici hoe een baby moet worden gezoend: ‘Baby’s zoenen is niet zo gemakkelijk als het lijkt. Een goede politicus laat een baby – of iets anders – nooit tussen zijn gezicht en de camera komen.’ Tien jaar later schrijft het blad: ‘Er is één excuus voor baby kissing: het werkt.’ Al had niet iedereen daar een boodschap aan, Richard Nixon verklaarde ooit: ‘Ik draag geen stomme hoedjes, kus geen vrouwen of kinderen en ski niet van een helling af: I’d look like a jerk.’ En toen de Republikeinse kandidaat Barry Goldwater in 1964 naar zijn onbehouwen stijl werd gevraagd, gromde hij: ‘I’m not one of those baby-kissing, handshaking, blintz-eating candidates.’

De afgelopen jaren lijkt baby kissing belangrijker dan ooit. De hoeveelheid foto’s van George W. Bush met een baby in zijn armen – waarop doorgaans minimaal een van beiden een raar gezicht trekt – is niet te overzien. Deze zomer werd een filmpje waarin president Obama een huilend kind stil krijgt een bescheiden YouTube-hit. In dit geval gemakkelijk te verklaren, omdat Michelle’s mond op een bijzonder vermakelijke manier openvalt van verbazing en de triomfantelijkheid van de president van zijn rug valt af te lezen. Het leverde hem de bijnaam ‘The Baby Whisperer’ op. Al beweerde een ‘expert’ in de Mail Online dat Obama ‘fatally ill-at-ease’ was met een kind in zijn armen. Romney scoorde volgens hetzelfde artikel punten vanwege zijn ‘grandfatherly pose’ die een ‘sterke suggestie van paternalisme en vertrouwen creëerde’. Hij verloor punten toen hij een baby ‘teruggaf als ware het een granaat waaruit de pin was verwijderd’. Een cynisch dieptepunt in de geschiedenis van het gebruik werd afgelopen november bereikt toen de Egyptische premier Hesham Qandil in het bijzijn van de wereldpers een Palestijns jongetje, dat naar verluidt was omgekomen bij een bombardement, op zijn voorhoofd zoende.

Uit een korte rondvraag bleek overigens dat bij de woorden ‘politicus’ en ‘baby’ mensen vooral aan Michael Jackson denken. Nu wil het toeval dat er een mooie foto circuleert waarop Jackson – post-op, met kenmerkende hoed en wipneus – een baby in de handen van Bill Clinton legt. Opportunistisch of niet, je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat het kind op het punt staat beter af te zijn.

De ironie wil dat veel van het opportunistische baby kissing voor rekening komt van mannelijke politici die vaders-met-te-weinig-tijd-voor-hun-gezin zijn. Maar misschien is het niet altijd uit opportunisme dat een kind wordt aangepakt en gekust. Wie weet wordt een groot deel van de baby’s alleen maar gezoend omdat de politicus die voor het oog van de camera’s het vlees en bloed van een potentiële kiezer weigert ongetwijfeld zijn politieke doodvonnis tekent. Patrick Janssens verloor overigens de burgemeestersverkiezingen en kondigde onlangs zijn vertrek uit de politiek aan. Ongetwijfeld zal hij meer tijd met zijn gezin gaan doorbrengen. Het is hem gegund.