Obama en Iran

Eind vorige week heeft president Obama opnieuw bewezen dat met hem de Amerikaanse buitenlandse politiek een revolutionaire wending heeft genomen. In een op video vastgelegde toespraak tot het Iraanse volk en zijn leiders zei hij dat de islamistische Republiek Iran recht heeft op haar plaats in de internationale gemeenschap. Het is zijn wens dat beide naties elkaar met wederzijds respect zullen bejegenen. Over het vroeger zo vertrouwde Amerikaanse doel van regime change werd niet meer gerept. Een militaire oplossing was niet meer aan de orde. Obama nam afstand van het beleid waarbij de Iraanse leiders iets lekkers voor de neus werd gehouden dat ze moesten grijpen, of anders kregen ze ervan langs.Daarop liet de Iraanse geestelijk leider, ayatollah Ali Khamenei, weten dat hij na deze woorden ook daden verwachtte. Het klinkt nog niet als een doorbraak, maar na alles wat er de afgelopen dertig jaar tussen beide landen is gebeurd, valt te begrijpen dat de partijen nog wat gereserveerd zijn. Acht jaar geleden, aan het begin van zijn bewind, heeft George W. Bush Iran uitgeroepen tot deelgenoot in de As van het Kwaad. De andere twee waren Irak en Noord-Korea.Daarna is in Washington meermalen overwogen om een aanval op het land te ondernemen, met de bedoeling de atoomindustrie te vernietigen. Teheran heeft het altijd ontkend, maar wordt ervan verdacht aan een kernwapen te werken. De dreigingen van Bush verloren hun geloofwaardigheid. Met Irak nog in een vroege staat van wederopbouw, de oorlog in Afghanistan, en Pakistan als een groot en groeiend probleem, kunnen de Verenigde Staten zich geen extra oorlog veroorloven. En afgezien daarvan, er is een grote kans dat door zo’n onderneming het Midden-Oosten in een baaierd van antiwesterse razernij zou veranderen.Obama heeft twee goede redenen voor zijn ouverture. De militaire aanpak van de vorige regering heeft tot niets anders dan catastrofes geleid. Het is tijd voor herstel van de diplomatie. En er zijn goede redenen om aan te nemen dat Iran daarvoor ontvankelijk zal zijn. President Ahmadinejad mag zich voor het Westen tot een duivelse vijand hebben ontwikkeld, in eigen land is hij niet populair. Voorzover we dat hier kunnen beoordelen broeit daar een culturele revolutie. En economisch staat Iran er niet florissant voor, het land is hard geraakt door de daling van de olieprijs.Ten slotte heeft Iran als buur van Irak, Afghanistan en Pakistan een belang bij wat er in die landen gebeurt, zoals Washington dat heeft bij de visie van Teheran. En één ding is zeker: in deze drie landen zijn de problemen verre van opgelost. Relatief gezegd komt het er dus op neer dat twee verzwakte partners onder druk van de veranderde omstandigheden naar de onderhandelingstafel worden gedwongen. Ook Iran wil stabiliteit in de regio. Nog deze maand zal onder Amerikaans voorzitterschap een internationale conferentie over Afghanistan worden gehouden. Iran heeft de uitnodiging daarvoor aangenomen. Dat is de volgende vordering. En wat er in de wandelgangen van zo’n bijeenkomst wordt besproken blijkt soms later van groter belang te zijn dan wat er aan de vergadertafel wordt beslist. De openingen zijn er.Maar er blijft één groot probleem: Israël. In de jaren van Bush liep het Amerikaanse beleid jegens Iran praktisch parallel met dat van Jeruzalem. Die tijd is nu al voorbij. Maar de nieuwe regering van Netanyahu zal zich niet bij de nieuwe lijn van Obama neerleggen. De Israëliërs blijven ervan overtuigd dat Iran aan een kernwapen werkt en dat, als dit eenmaal met een proef zijn bruikbaarheid heeft bewezen, zij daarvan hoe dan ook het slachtoffer zullen zijn. Dat is onaanvaardbaar en moet dus worden voorkomen.Waar ligt de grens, vroeg Roger Cohen, columnist van de International Herald Tribune, toen hij onlangs in Jeruzalem was. Zijn gesprekspartner, een hoge Israëlische ambtenaar, zei dat de Iraniërs binnen een half jaar vijftienhonderd kilo verrijkt uranium zouden hebben, voldoende om een bom te maken. Het zou dan nog wel wat langer kunnen duren voor het zo ver was, want alles moest natuurlijk in het geheim gebeuren en dat kost extra tijd. Die tijd, verwachtte hij, zou door Obama worden gebruikt om te praten, verder te praten, nog meer te praten. Dat wil Israël niet. Het is mogelijk dat deze ambtenaar gebluft heeft, maar Cohen sluit een preventieve actie, nog dit jaar, niet uit. Houd er rekening mee dat door Obama’s nieuwe Midden-Oostenbeleid de betrekkingen tussen Washington en Jeruzalem zullen bekoelen. ‘Daarvoor’, zo besluit Cohen, ‘is het de hoogste tijd. Onze politiek van Israël heeft altijd gelijk, is rampzalig geweest, niet in het minst voor Israël zelf.’ Maar hoe brengen we het Netanyahu aan het verstand. Dat is de kernvraag.