OBAMA EN DE ZWARTE GEMEENSCHAP

Obama is Amerika

Ras speelt nog steeds een grote rol in de Verenigde Staten. Mede daarom doet de ‘transraciale’ presidentskandidaat Barack Obama Amerikanen zich goed voelen over hun samenleving, in een tijd dat pessimisme overheerst. Alle Amerikanen herkennen zijn levensverhaal.

IN BIJNA ELKE TOESPRAAK herhaalt Barack Obama de korte versie van zijn levensverhaal: zoon van een blanke moeder uit Kansas en een vader uit Kenia. Half blank, half zwart. Het is een mooi verhaal, een inspirerend verhaal, een belangrijk verhaal, maar we hoeven onszelf niet voor de gek te houden: iedereen ziet Barack Obama als een zwarte, een Afrikaans-Amerikaan. Een half blanke man is gewoon een zwarte man. Zo ziet hij het zelf ook.
Toch is zijn gemengde afkomst cruciaal. Afgezien van dat verhaal is zwart zijn in deze campagne relatief weinig aan de orde gekomen. Obama heeft het er nooit direct over. Dat is ook niet nodig. Je hoeft niet uit te spellen wat duidelijk is als je naar het podium kijkt. Maar dat is maar het halve verhaal. Want er is een verschil: je hoort niet een zwarte man. Obama praat niet zwart, denkt niet zwart, net zo min als hij uniek blank praat of denkt. Hij is de vleesgeworden multiculturele Amerikaan. Dat is wat Obama uniek maakt: opeens doet het er niet toe. Misschien beklijft het niet, misschien wordt het nog anders, maar voorlopig is Obama de eerste postraciale kandidaat, of misschien moet je zeggen, de eerste transraciale kandidaat.
Barack Obama is zijn levensverhaal. Hij is de brug tussen de wereld van de blanken en de wereld van de zwarten, tussen Chicago’s South Side en Harvard Law School. In al die werelden heeft Obama geleefd, na een jeugd in de raciale potpourri van Hawaii en een uitstapje naar Indonesië. In al die werelden had Obama succes. Obama’s eerste boek, Dreams from My Father, maakt duidelijk dat hij zichzelf ziet als een zwarte Amerikaan. Als anderen hem al niet in de zwarte gemeenschap plaatsen, dan heeft hij er zelf toch voor gekozen. Daar voelt hij zich thuis. Misschien viel er niets te kiezen, misschien komen half zwarte Amerikanen daar vanzelf terecht, maar Obama heeft het doorgeredeneerd en zich afgevraagd waar hij stond. Dat lijkt erg op de weg die een tweede-generatie-immigrant aflegt, en misschien is dat wel de reden dat veel kiezers iets in hem herkennen.
We moeten ons ook niet laten meeslepen: de politicus Obama weet verdraaid goed wanneer hij de rassenkaart moet spelen. Bij de voorverkiezingen in South Carolina, een staat met veel zwarte kiezers, waarschuwde Obama de kiezers dat ze werden ‘hoodwinked and bamboozled’ door de Clintons. De uitdrukking komt uit de film Malcolm X, waarin Denzel Washington zwarten waarschuwt voor de slechtheid van ‘de Blanke Man’ die zich schuilhoudt achter het beeld van de glimlachende politicus. Obama hoefde niets meer te zeggen.
Obama geeft blanken een plezierig gevoel, of in elk geval niet dat onaangename gevoel dat ze gewend zijn te krijgen bij de boze zwarte voormannen die luid tetterend aandacht vragen voor hun grieven. Obama als persoon lijkt daar boven te staan. Ras als ras lijkt een bijzaak. Daarom was de verschijning van zijn luidruchtige predikant Jeremiah Wright zo problematisch. Niet alleen zei het iets over Obama’s beoordelingsvermogen dat hij met zo’n schreeuwlelijk in één kerk zat, bovenal drukte het de kiezers met hun neus op Obama’s zwart zijn. Oeps, zou het er toch toe doen?

Natuurlijk doet het ertoe dat Obama zwart is. Het zou heel raar zijn als dat niet zo was. Maar gelukkig voor Amerika is het niet meer een gênant maar niettemin vanzelfsprekend obstakel voor zijn verkiesbaarheid. Wat verklaart Obama’s succes bij de blanke kiezers? Peter Beinart van The New Republic vatte het eens zo samen: ‘Hij ziet er niet erg zwart uit en hij klinkt niet erg zwart.’ Dat klinkt bot, maar het slaat de spijker op de kop. Geen enkele landelijke politicus kan het zich veroorloven om in één etnisch, raciaal of ideologisch hokje te worden gestopt. In die zin probeert niemand zijn primaire kenmerken te laten overheersen. John Kennedy wilde niet katholiek of Iers klinken, Bill Clinton zette zijn zuidelijke accent af en aan zoals het uitkwam. Geen kandidaat wil te bruin, te zwart, te katholiek, te conservatief, te zuidelijk, te rijk, te arm – te ‘te’ zijn. Om Beinart te parafraseren: Hillary Clinton zag er wel heel erg vrouw uit maar ze klonk niet heel erg vrouw. Dat wilde ze ook niet. Nou ja, meestal niet.
Beinart vergeleek Obama met Colin Powell, de zwarte generaal die naam maakte in de Eerste Golfoorlog en later minister van Buitenlandse Zaken werd onder George W. Bush. We zijn het inmiddels vergeten, maar Powell werd rond 1994, 1995 vaak genoemd als mogelijke presidentskandidaat – voor beide partijen zelfs. Daarvoor was brede steun te vinden, ook in blanke kring. Beinart ziet vier redenen. Ten eerste had Powell succes geboekt in een gerespecteerde blanke instelling, het Amerikaanse leger. Ten tweede was hij het kind van immigranten uit Jamaica, waardoor hij niet die lastige slavernijgeschiedenis met zich meedroeg. Ten derde was hij geen radicaal. Ten vierde klonk Powell niet zwart en zag hij er ook niet erg zwart uit. Desgevraagd zei Powell zelf: ‘Ik kan redelijk overweg met woorden, praat als een blanke.’ En, vervolgde hij: ‘Ik ben niet zo heel erg zwart.’
Obama zou het nooit zo formuleren maar zijn verhaal is vergelijkbaar. Net als Powell slaagde hij aan een blanke instelling, Harvard Law School. En met zijn Keniaanse vader is hij een soort immigrant (in Nederlandse statistieken zou Obama opduiken als niet-westerse allochtoon). Radicaal is hij evenmin en, inderdaad, Obama klinkt niet zwart en ziet er niet zwart uit. Kortom, net zo min als Colin Powell of Condoleezza Rice voldoet hij aan het stereotype van de zwarte politicus, laten we zeggen Jesse Jackson of Al Sharpton of, inderdaad, Jeremiah Wright (overigens niet voor niets alle drie dominees).

Curieus genoeg werd in het begin van de campagne, ver terug, in 2007, een heel andere vraag gesteld: zouden de zwarte kiezers Obama wel steunen? Zouden die hem wel ‘een van ons’ vinden? Kan iemand op wie de blanke media dol zijn wel bij ons horen? Een begrijpelijke vraag gezien het verleden. Zo wilde de hoogopgeleide, welbespraakte en enthousiaste Cory Booker, licht van huidskleur, in 2002 burgemeester worden van Newark. Zijn tegenstander, een corrupte zwarte machinepoliticus, speelde de ‘kokosnootkaart’ tegen hem. Booker kreeg de steun van de hervormingsgezinde blanke pers. Dat bewees volgens de zittende burgemeester dat zijn concurrent niet echt zwart was. Nog meer dan andere Amerikanen zijn zwarten dol op samenzweringsdenken. De preken van dominee Wright zitten er vol mee. ‘Ze’ zijn er op uit om ons te pakken.
Inmiddels is Obama de kandidaat van de zwarte gemeenschap geworden. Hij had basisgeloofwaardigheid doordat hij met een zwarte vrouw getrouwd is, door zijn kerk, en door zijn werk als community organizer. Wat hij extra had was dat hij op eigen benen kon staan, andere carrièrekeuzes had kunnen maken, geen belangenbehartiger was. Obama kon zwart praten als het nodig was, blank als het zo uitkwam. Net als een immigrantenkind pendelde Obama tussen culturele subsamenlevingen.
De meest succesvolle Amerikaanse zwarten, mensen als Oprah Winfrey en Magic Johnson, delen met Obama de eigenschap dat ze hun zwart zijn niet dragen als een loden last waar ze iedereen voortdurend mee lastigvallen. Tot dominee Wright van ras een onderwerp maakte, besteedde Obama er zelf weinig aandacht aan. Zijn baanbrekende toespraak over ras was een reactie op Wright, niet een eigen initiatief – al greep de kandidaat het graag aan voor de diepgevoelde overpeinzing die zijn speech in Philadelphia was. Ook daar sloeg hij een brug: voor het eerst sinds 1963 drong een toespraak over ras door tot álle Amerikanen, was iedereen gedwongen mee te denken over de actuele verhoudingen tussen zwarten en blanken.

Het paradoxale is dat Obama in zijn taalgebruik en in zijn fenomenale oratorische gaven zwart is zonder zwart over te komen. Zijn dictie, zijn ritme en zijn taalgevoel komen rechtstreeks uit de zwarte kerken. Maar hij tilt het naar een hoger niveau, waar het iedereen aanspreekt. Het is moeilijk om een blanke politicus te bedenken die Obama als spreker kan evenaren. Jazeker, je denkt meteen aan John F. Kennedy. Die had ook zo’n elektrificerende werking, hij kon mensen begeesteren met woorden, meer dan met beleidsvoorstellen. Een belangrijk verschil is dat Obama zijn eigen toespraken schrijft. Een ander dat hij goed nadenkt over zijn doelgroep en op tijd knoppen omzet – een bijzonder belangrijke politieke vaardigheid.
Volgens Jesse Jackson Jr., zoon-van en zelf afgevaardigde voor Illinois, begrijpt Obama het belang van taal en de noodzaak om sociaal debat zodanig te organiseren dat het blanken niet vervreemdt. Martin Luther King kon dat, maar zijn opvolgers waren er veel minder goed in, zegt Jackson junior: ‘Ik denk dat het gat werd opgevuld door mensen als Stokely Carmichael en Jesse Jackson, die taal niet zo goed gebruikten. Met alle respect voor mijn vader: dit is, veertig jaar later, de eerste keer dat we die heel doordachte en nauwkeurige manier van taalgebruik opnieuw hebben gehoord.’
Volgens King-biograaf Taylor Branch is er een cruciaal verschil tussen de toespraken van King en Obama. Martin Luther King moest gevoelens van hypocrisie en schaamte gebruiken om tot blanken door te dringen, om een einde te maken aan een schandelijke situatie. Obama gebruikt zijn toespraken om te verbinden en te verheffen en neemt zo iedereen mee, niet alleen zwarte toehoorders. Hij heeft een positieve boodschap, een boodschap voor iedereen. Andere tijd, andere problemen, andere stijl. Het verklaart waarom Jesse Jackson niet aansloeg bij blanken, Barack Obama wél.

Het lijdt geen twijfel: Obama is anders. Anders op een andere manier dan McCain of Clinton of Bush anders is. Obama is zo anders dat hij evengoed van een andere planeet zou kunnen komen, ook al is hij nog zozeer deel van de zwarte gemeenschap in Chicago. Zijn verhaal kent niet de wonden van de Amerikaanse slavengeschiedenis, waarin gemengd bloed het gevolg was van verkrachtingen en onwillige relaties met slavenhouders. Obama draagt die last niet. Integendeel bijna: hij heeft de echte Afrikaanse wortels die veel zwarten graag zouden hebben. Voor blanken is zijn gemengd bloed acceptabel simpelweg omdat gemengde huwelijken nu heel wat gewoner zijn dan vijftig jaar geleden – toen was het in de helft van de staten nog verboden buiten je ras te huwen.
Amerika is ook volwassener geworden. Er zijn zwarte zakenlui – Richard Parsons van Time Warner. Er zijn zwarte tv-persoonlijkheden en er zijn meer zwarte politici dan Barack Obama. Colin Powell en Condoleezza Rice zijn krachtige rolmodellen, ze worden niet gezien als excuus-zwarten noch als verraders. Leeftijdgenoten van Obama zijn burgemeester, zoals Cory Booker in Newark en Adrian Fenty in Washington. Zijn vriend Deval Patrick is gouverneur van Massachusetts. Ook ex-afgevaardigde Harold Ford Jr. hoort bij deze groep. Ze gingen allemaal naar goede universiteiten en begonnen hun carrière vaak in gemeenschapswerk, niet in burgerrechtenorganisaties. Ze hebben allemaal die vier kenmerken die Peter Beinart onderscheidde bij Powell. Toch blijft het de vraag hoe ver Amerika echt is gekomen, want alleen Obama zelf en Deval Patrick hebben verkiezingen gewonnen waarbij ze grote aantallen blanken voor zich moesten winnen. Harold Ford was in 2006 kandidaat voor de senaat in Tennessee, maar hij verloor nipt, onder meer door racistisch getinte commercials.
Volgens opiniepeilingen denken veel Amerikanen dat zwarten minder patriottisch zijn dan andere Amerikanen. Onderhuids denken veel Amerikanen misschien dat de zwarten die zij in het verleden zo slecht behandeld hebben nooit echt loyaal zullen zijn aan de Verenigde Staten. Dat een groot deel van de Amerikaanse krijgsmacht zwart is, doet daar niets aan af. Condoleezza Rice, die opgroeide in het gesegregeerde Birmingham, Alabama, verwierp dat vooroordeel. In een reactie op Obama’s rassentoespraak zei ze tegen The Washington Times: ‘Als zwarte Amerikaan zou ik graag willen dat mensen begrijpen dat zwarte Amerikanen hielden van dit land en er vertrouwen in hadden zelfs toen dit land hen niet liefhad en vertrouwde. Dat is onze erfenis.’
Maar de ondertoon van gebrek aan patriottisme is ook in 2008 opgedoken, misschien wordt het wel Obama’s grootste probleem. Lange tijd weigerde Obama een speldje met de Amerikaanse vlag op zijn revers te dragen. Hoewel dat een flauwekulsymbool is dat de Republikeinen de wereld hebben opgedrongen, keerde het zich tegen hem. Ook legde hij eens niet zijn hand op zijn hart toen het volkslied werd gespeeld. Allemaal nonsens maar Amerikanen zijn opmerkelijk snel gekwetst als je je niet helemaal conventioneel gedraagt. Een samenzweringsverhaal is snel gemaakt en gemakkelijk verkocht. Ook hier was de zwart-nationalistische, antiblanke retoriek van dominee Wright olie op het vuur.
Volgens onderzoek dat de socioloog Orlando Patterson aanhaalt, heeft één op de vijf blanke Amerikanen racistische ideeën. Een peiling van het Pew Research Center stelde in maart 2008 vast dat twintig procent van alle blanke Democraten boven de 44 jaar interraciaal daten onaanvaardbaar vond, terwijl dat onder die leeftijd slechts drie procent was. Een peiling van The Washington Post in juni toonde dat drie van de tien Amerikanen zichzelf op de een of andere manier als racistisch kwalificeerden. Hoewel het lijkt weg te ebben, is racisme niet verdwenen.
De Republikeinse Partij heeft een lange geschiedenis van het gebruiken van onderhuidse racistische gevoelens (bijvoorbeeld de associatie van zwarten met misdaad) om campagnes te winnen. Het meest verwerpelijke voorbeeld was de Willie Horton-campagne in 1988 waarbij Michael Dukakis verantwoordelijk werd gesteld voor vreselijke misdaden – altijd gepleegd door zwarten, natuurlijk. Iets subtieler was Ronald Reagan begin jaren tachtig. Maar als hij het had over de ‘welfare queen’ die haar uitkering kwam ophalen in een grote auto dacht echt niemand aan een blanke vrouw, ook al zitten er meer blanken in de bijstand dan zwarten. In hoeverre de mensen die Hillary Clinton de laatste weken van haar campagne bereikte, de blanke arbeiders in industriestaten, zich door racisme lieten leiden, blijft onduidelijk. Maar haar campagne balanceerde vaak op het randje van het onbetamelijke. Zo zei ze tijdens een debat: ‘Is het niet fantastisch dat we hier een vrouw en een Afrikaans-Amerikaan hebben staan?’ Obama kon niet anders dan grimlachen. Clinton had haar punt gemaakt: op een niet-vijandige manier had ze de aandacht gevestigd op zijn ras.
In de jaren tachtig zou geen zwarte politicus geloofwaardig hebben kunnen zeggen dat hij in staat was om de culturele en politieke scheidslijnen in Amerika te overbruggen. In die zin is Obama een heel nieuw fenomeen. Het feit dat Obama jongeren, hoogopgeleide en stedelijke Amerikanen het meest weet te beroeren, spreekt boekdelen. De jongere generaties denken niet meer in de ouderwetse rassentegenstellingen. Ze zien een aantrekkelijke kandidaat. Dat hij zwart is, doet er nauwelijks toe.

Hoe kwetsbaar is Obama omdat hij zwart is? Niemand weet het tot de stemmen geteld zijn, maar rassenweerzin – een brede term die zowel racisme omvat als afkeer van positieve discriminatie of het slachtofferbeeld dat zwarten ophouden – is sterker bij mannen dan bij vrouwen, sterker bij de middenklasse dan bij rijken én armen, sterker bij mensen zonder college-opleiding, bij degenen die geschoolde of half geschoolde banen hebben, en bij mensen die wonen in het Midden-Westen en het zuiden. Precies de kiezers die voor Hillary Clinton kozen en waarmee Gore en Kerry al eerder problemen hadden – soms samengegooid als de Reagan Democrats. Misschien is dat de reden dat opiniepeilingen melden dat zwarten pessimistischer zijn over de kansen van een zwarte presidentskandidaat dan blanken.
Obama’s verhaal blijft de sleutel. Als hij zijn verhaal als natuurlijke bruggenbouwer weet te vertalen naar de Amerikaanse droom en een positieve en idealistische boodschap verkondigt, dan sluit hij direct aan bij een verhaal dat alle Amerikanen kennen en herkennen. Barack Obama maakt dat Amerikanen zich goed kunnen voelen over hun samenleving, in een tijd dat pessimisme overheerst. Dat klinkt als een gemakkelijke manier om dat gevoel te krijgen, maar ach, waarom niet. Obama is zijn identiteit. Hij is Amerika.
Een van de meest gestelde vragen in deze campagne was of Amerika klaar was voor een zwarte presidentskandidaat en nu, voor een zwarte president. Het antwoord is eenvoudig. Je bent er klaar voor als het gebeurt. Verandering vindt gewoon plaats. En dan gaat het razendsnel. Want dat is een van de meest aantrekkelijke kanten van Amerika: het land kan grote sprongen maken. En soms doet het dat ook.

Frans Verhagen is publicist en hoofdredacteur van www.amerika.nl. Deze week verscheen van hem Barack Obama in een notendop (Bert Bakker). Vorig jaar publiceerde hij De beste wint nooit: Het ABC van de Amerikaanse verkiezingen (Nieuw Amsterdam)