Obama is een Griek

Er schijnt vroeger ooit in De Telegraaf te hebben gestaan: ‘Wij waarschuwen China voor de laatste keer.’
Het zal ongetwijfeld een broodje-aapverhaal zijn, maar het aardige is dat je zou kunnen beweren dat China geluisterd heeft. De waarschuwing betrof namelijk het communisme in het China van Mao waardoor veel meer mensen stierven dan door het fascisme in Europa.
China gedraagt zich nu als een koloniale mogendheid, maar nu zwijgen we.
Niet omdat we dat gedrag goedkeuren, maar omdat we nu verdomd goed weten dat we niets tegen China kunnen ondernemen.
We kunnen ernaar kijken, er binnenskamers iets over zeggen – en dat is het dan.
Men is tevens van mening dat China Amerika gaat overvleugelen. De Nieuwe Romeinen, zoals de Amerikanen werden genoemd, verliezen hun imperium en worden de Nieuwe Grieken.
Obama is een Griek.
Hij staat voor beschaving en fatsoen, maar tegenwoordig ook voor een zekere onmacht. Hij kan, als president, de economie niet echt nieuw leven inblazen, hij kan niet zomaar uit Irak of Afghanistan weg, hij kan zich ook niet bemoeien met de dollar; het Amerikaanse imperium heeft zichzelf nog te veel vastgeklonken. Hij beseft dat hij steeds minder kan zeggen, omdat zijn macht afneemt.
Macht voor fatsoen. Is dat een goede ruil?
Eigenlijk houd ik van het oude Amerika uit 1950. Ik hou van de schrijvers uit die tijd, van de mode uit die tijd, van de architectuur. Iedere keer als ik in New York ben, zoek ik 1950; je vindt dat nog wel in Manhattan, zoals je er ook 1930 kunt vinden.
Ik hou niet zo van het Amerika van Huizinga, ik hou van het Amerika van Van Loon – een Nederlands-Amerikaanse schrijver die helaas niemand meer kent. (En dat komt overigens door Huizinga, die Van Loon maar een nep-historicus vond.)
Huizinga haatte New York. Van Loon viel ervoor.
Amerika leed in Huizinga’s jaren (hij bezocht het land in 1926) al aan obesitas – een kwaal waarvan het land nog steeds niet is genezen. De kwantiteit ging voor de kwaliteit, en daar hield ik van. Winkels met duizenden en duizenden spijkerbroeken, de hamburgers van een halve meter hoogte, die mall die ik in Utah bezocht, zo groot als de Bijenkorf, waar je tanks kon kopen. Tweedehands weliswaar, maar toch…
Dat is nu zichtbaar aan het veranderen.
Waar je vroeger – vijftien jaar geleden – nog duizenden mensen met een hamburger op straat zag lopen, hebben ze nu een bakje met fruit of groenten. De spijkerbroeken hebben plaatsgemaakt voor broeken die in China gefabriceerd zijn, en zelfs wanneer ik nu de Amerikaanse opiniebladen lees, moet ik iedere keer weer constateren dat ik de artikelen… te lang vind, terwijl ik vroeger de beknoptheid van de Amerikaanse journalist zo bewonderde. De journalisten zijn tegenwoordig veel genuanceerder, lijkt het wel, en dat vergt ruimte.
Er is een hang naar beschaving, lijkt het.
Die kwantiteit van destijds stond voor macht, en had ook macht. Zeker ook economische macht. Een veelvraat is vaak dik, groot en krachtig.
Dat verdwijnt nu. De dikke Chinezen komen ervoor in de plaats.
Ik hoor niet meer van fabrieken waar ze duizenden en duizenden spijkerbroeken maken, maar nu van Chinese steden van wel een miljoen inwoners of meer, die allemaal alleen maar sportschoenen maken, of alleen maar jurkjes of alleen maar computers.
Dat is geen obesitas meer, dat is opgelegd autisme.
Ik zou zo graag eens naar China willen, al denk ik dat ik mijn oude Romein nooit in de steek zal laten.