Obama’s Afghanistan

Washington is misschien bereid onderhandelingen met gematigde delen van de Taliban te beginnen. Dat heeft president Obama in een interview met The New York Times gezegd. Dit kan noodzakelijk zijn, want ‘we zijn de oorlog niet aan het winnen. Nee, de situatie wordt slechter.’ President Karzai is er al langer voorstander van. Het betrekkelijke succes van generaal Petraeus met de surge in Irak is ook te danken aan een nieuwe tactiek waarbij hij medewerking wist te krijgen van bepaalde groepen opstandelingen die eerst tot de vijand hadden gehoord. Binnenkort worden de Amerikanen met zeventienduizend man uit Irak versterkt. Richard Holbrooke, die als onderhandelaar in Joegoslavië de vrede heeft bewerkstelligd, komt naar het strijdgebied. Dit alles wijst erop dat ook hier afscheid wordt genomen van de rigide politiek van Bush, de voortgezette militaire vruchteloosheid die daar zeven jaar de oorlog heeft bepaald.
Maar er zijn een paar praktische vragen te stellen. Zijn er onder de Taliban überhaupt gematigde krachten? Hoe gematigd zijn die dan dat ze in de ogen van de Amerikaanse regering deze naam verdienen? Zijn ze sterk genoeg om samen met de strijdkrachten uit het Westen en het leger van Karzai de extreme fundamentalisten te verslaan? En misschien het belangrijkste: hoe kunnen we deze gesprekspartners vinden? In Afghanistan staan geen wegwijzers die de westerse onderhandelaars bij dit probleem kunnen helpen. De bereidheid tot onderhandelen bevestigt wel opnieuw dat we in Washington met een radicale wisseling van de wacht te maken hebben – diplomatie in plaats van bombarderen – maar we weten niet in welke mate de tegenstander daarvan onder de indruk zal zijn.
Opnieuw komt er een moment waarop de Amerikaanse buitenlandse politiek direct de Nederlandse raakt. De vorige keer was in 2007, toen minister Eimert van Middelkoop op aandringen van Washington besloot de Nederlandse militaire missie tot de zomer van 2010 in Uruzgan te laten blijven. Het kabinet had er geen idee van hoe de Amerikaanse strategie zich verder zou ontwikkelen, hoe de oorlog daardoor zou worden beïnvloed (en de toenmalige president waarschijnlijk ook niet), zodat er feitelijk een blanco cheque werd getekend, op kosten van 1600 militairen. Later, in september 2008, sloot de minister bij Pauw & Witteman niet uit dat na 2010 een verdere verlenging zal volgen. Ongetwijfeld is hij het strijdlustigste lid van dit kabinet.
Nu kunnen we dus uit de woorden van Obama afleiden dat Nederland zich toen voor het karretje van Bush heeft laten spannen, want het bleef meedoen aan een oorlog die ook toen al aan het mislukken was. Dit wordt nu in Washington erkend. Bijgevolg zal binnenkort een nieuwe fase aanbreken. In Den Haag wordt in april een conferentie gehouden waaraan alle landen die troepen in Afghanistan hebben, zullen meedoen. Laten we hopen dat daar de nieuwe strategie uitvoerig ter sprake zal komen.
President Obama is nog geen twee maanden in functie. Onder de moeilijkste omstandigheden heeft hij al bewezen dat zijn Democratische bewind een revolutionaire verandering doet verwachten. Het gekrijs van de ultrarechtse oppositie onder leiding van Rush Limbaugh is de bevestiging. Maar deze tijd is te kort om van kleine bondgenoten als Nederland te verwachten dat ze nu de nieuwe wereldleider op zijn woord zullen geloven en hem blindelings zullen volgen, zoals Den Haag dat met zijn voorganger heeft gedaan.
In Afghanistan nemen we deel aan een oorlog in het onoverzichtelijkste terrein ter wereld, tegen een vijand die zich niet laat definiëren. Een extra complicatie wordt gevormd door de uiterst wankele bondgenoot Pakistan. Op het doen en laten van dat land heeft Den Haag vanzelfsprekend geen enkele invloed. De omwenteling die zich nu in Washington aangaande het beleid in Afghanistan voltrekt, is nog een theoretisch experiment dat ongetwijfeld praktische gevolgen zal krijgen. Maar geen mens kan met enige zekerheid voorspellen of die uiteindelijk in de richting van een succes zullen gaan.
Afghanistan wordt ‘het kerkhof der wereldrijken’ genoemd. De Britten hebben er hun nederlaag geleden, de Russen een bloedige oorlog verloren. Na acht jaar komt de nieuwe Amerikaanse president tot de conclusie dat het Westen het daar over een totaal andere boeg moet gooien. Welke? En hoe? Is Afghanistan een afzonderlijk vraagstuk? Of misschien deel van een groter complex dat we de wereld van de moslims noemen? Dan maken ook Irak, Iran, Syrië en Palestina daar op een of andere manier deel van uit.
De ouvertures van Obama doen vermoeden dat hij bezig is een nieuwe diagnose van dit grote geheel te stellen. Als dat waar zou zijn, moeten we eerst willen weten hoe die eruitziet. En voordien niets beloven. Geen man en geen cent.