Obe Postma in drie talen

Obe Postma schreef in bijna provocerend gewone taal over alledaagse dingen.

ʻMaar wat geweest is is iets anders dan wat niet geweest is’, lees ik bij Obe Postma. Postma (1868-1963) is een van de grootste Friese dichters, maar voor mij ook een van de grootste dichters van Nederland. Nu het 150 jaar geleden is dat hij werd geboren, wordt hij op allerlei manieren geëerd. Zo is er begin april een drietalige bloemlezing van hem verschenen: Selected Poems. Een keuze uit zijn gedichten in het Fries, in het Engels van Anthony Paul en in het Nederlands van Jabik Veenbaas. ʻBut was has been is not like that which has not beenʼ, in het Fries: ʻMar wat west hat is wat oars as wat net west hatʼ.

Het zinnetje is zo eenvoudig dat je er makkelijk overheen leest. Maar als je eraan blijft haken, heb je meer dan genoeg om over na te denken. Postma schreef in bijna provocerend gewone taal over alledaagse dingen. Hij dacht hardop, dook in de herinnering en kwam uiteindelijk zonder enige zweverigheid altijd terecht in, ik kan het niet anders zeggen, een ervaring van de eeuwigheid.

Een gedicht dat bij iedere Postma-liefhebber ergens bovenaan staat, begint in de vertaling zo:

Goethe maakte een reis naar Italië en Rilke naar Rusland,
En als een ander mens kwamen zij terug.
Ik ben op mijn oude dag naar Harlingen geweest;
Een ander mens kon ik niet worden, maar ik heb hoog op de bolwerktuin gestaan –
Een jonge matroos zat op een bank en twee oude kapiteins kuierden het paadje af.

Welke andere dichter kan zichzelf in een gedicht met Goethe en Rilke vergelijken en zeggen: goed, ik heb Italië en Rusland dan wel nooit bezocht, maar ik ben op mijn ouwe dag naar Harlingen geweest! Hij beschrijft een paar plekken waar hij rondloopt, en dan stapt hij, 67 jaar oud, terug in een vroege herinnering:

Dit was de eerste stad die ik als jongen heb gekend;
Hier kwamen we door als we met Ypke naar Oosterbierum reden,
En bij Beitschat hielden we halt.
De rode leeuwen prijken nog bij de brug, maar Tjerk Hiddes staat als nieuwe stenen man aan de havenkant.
Tjerk Hiddes, Tromp, De Ruyter!

Hij is weer een kind en hij vraagt:

En waarom hebben ze de cijfers 16 honderd gezet op al die mooie pakhuizen?

En daarop volgt ten slotte de oceanische ervaring van iemand die voor het eerst het grote water ziet:

De haven ligt licht en open maar op het havenplein hangen de zwarte kerels rond.
Als we teruggaan horen we de Ato over de straten razen.
Holland! de zee! de zee!

De Ato, dat moet je dan wel even weten, is de Algemeene Transport Onderneming. Die onderhield van 1933 tot 1940 een busdienst over de gloednieuwe Afsluitdijk. Postma schreef het gedicht in 1935.

Zo precies, zo weinig subtiel, zo onmetaforisch waren weinig schrijvers in die tijd. Als ze het al over de gewone wereld hadden, zochten ze toch altijd naar een bijzondere formulering. Als het kon een beetje raadselachtig. Een collega schreef bijvoorbeeld over deze zelfde Ato-bus van Leeuwarden naar Alkmaar: ʻDe bus rijdt als een kamer door de nacht.ʼ Zulke slecht geschreven onzin kom je bij Postma niet tegen, die geeft in een eenvoudige regel een helder beeld en meteen het bijbehorende geluid: ʻAs wy omkeare hearre wy de Ato oer de strjitten razen.ʼ

Een van zijn gedichten bestaat uit een reactie op een vraag van Rilke in zijn Briefe an einen jungen Dichter: ʻZou u moeten sterven als u niet meer dichten mocht?ʼ Postmaʼs antwoord begint voorzichtig: ʻIk weet niet, Meester, ik weet het niet…/ Misschien zou ik het nog wel even uithouden, als ik geen andere kwalen kreeg./ Ik zou toch wel ʼs avonds wat mogen zitten en de oude beelden voor mij laten oprijzen? (…)/ En als ik zo diep in gedachten de pen opnam en een paar regels opschreef/ Om me dan weer te bedenken en door te strepen en weer opnieuw wat woorden te zoeken./ Dat zou U toch geen dichten noemen?ʼ

Postma duikt in het verleden om de eeuwigheid te ervaren. Zijn herinneringen zijn nergens sentimenteel. Hij verlangt niet terug, hij prijst zich gelukkig dat hij iets van het verleden kent. Nogal een verschil met een tijdgenoot die fluisterde: ʻVoorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.ʼ En die ergens anders schreef: ʻEn dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn.ʼ Ik gun iedereen zijn nostalgie, maar als lezer heb ik er weinig aan. Ik bedenk liever wat het inhoudt dat wat west hat wat oars is as wat net west hat.