Economie

Obelix Co

Horendol word je ervan, als trendvolger of ambtenaar. Van die vermeende efficiëntie, professionaliteit, productiviteit van het bedrijfsleven. Nu al weer zo’n kleine dertig jaar – pakweg vanaf het aantreden van Lubbers I in 1982 – krijgt die stoffige, neuzelend-treuzelende, koffie slurpende publieke sector dag in, dag uit door politiek, pers en publiek het voorbeeld van de private sector voorgehouden.

Daar wordt het echte geld verdiend. Daar heerst de tucht van de markt. Daar wordt pas hard gewerkt. Daar worden risico’s genomen. Daar wordt met huid en haar voor het eigen voortbestaan gestreden; ‘nature, red in tooth and claw’, zoals het in de onvergetelijke woorden van Alfred Lord Tennyson heet.

En dus is in diezelfde dertig jaar de publieke sector geleidelijk aan veranderd in een groteske verzameling van lopende banden waar Stachanov-arbeiders met uitgeklede arbeidsvoorwaarden in het zweet huns aanschijns eindeloos hetzelfde moertje aandraaien, ongeacht of het nou om het schrijven van arresten, het afnemen van tentamens, het produceren van onderzoek, het vervangen van heupen of het aantrekken van steunkousen gaat. De (semi-)publieke sector met zijn prestatie-indicatoren, afrekeninstrumenten, operationele efficiëntiecriteria, optimalisatiedoelstellingen, valorisatiemethodieken, accreditatiecyclussen is een grote publiekrechtelijke parodie geworden op Chaplins Modern Times, dat zelf een parodie was op de bedrijfskundige utopie van een door en door gedisciplineerde samenleving.

En dus zijn publieke bestuurders de afgelopen jaren en masse MBA’s gaan doen, zijn ze collectief voor de primitiefste managementmodes gevallen en zijn ze zichzelf uit pure zelfhaat meer en meer gaan bekleden met de regalia van de CEO: auto met chauffeur, zescijferig jaarsalaris, zevencijferige pensioenpot, een schare van klakkende lakeien, creditcard van de zaak, abonnement op de businessclass en het exclusieve monopolie op een affreus taaltje doorspekt met anglicismen (‘optimalisatie’, ‘prestatiecontracten’), potjeslatijn (‘valorisatie’, ‘triple helix’) en marktkramerij (‘aanvliegroute’, ‘insteek’) waarmee ze het fijnzinnige gehoor van hun ondergeschikten teisteren.

Ondertussen is in datzelfde bedrijfsleven iets wonderlijks gebeurd. Een glimp ervan werd ik gewaar toen ik – jaren geleden alweer – een praatje mocht houden bij Hay Group, de beloningspakkettenbouwers, diep in de Zeister bossen. Wie schetst mijn verbazing toen voorafgaand aan mijn lezing een van de partners als voorganger de verzamelde goegemeente voorstelde de ogen te sluiten, zich een plekje voor te stellen waar ze zich prettig voelde, om daar te verstillen (whatever that may be?), om te eindigen met een kleffe masseersessie van elkaars schouders en ruggen, ondertussen bijgekweeld door het kitscherige keelgeluid van een boeddhistische sokkendrager. Volwassen, verstandige mensen, in zomaar een open kantoortuin, in het centrum van Nederland!

Als je het eenmaal weet, zie je het overal. Het bedrijfsleven staat al lang niet meer in het teken van winst, concurrentie uitschakelen, marktaandeel veroveren en al die andere quasi-militaire metaforen die zo briljant bespottelijk zijn gemaakt in Obelix Co, dat onvergetelijke Asterix-album waarin de grond­beginselen van het kapitalisme bondig worden samengevat. Nee, het gaat om zelfreflectie, zelfontplooiing, saamhorigheid, liefde, warmte, oprechtheid, authenticiteit, vriendschap, persoonlijke groei en meer van dat moois.

Zo circuleert op YouTube een hilarisch filmpje van een groepsuitje van een handvol Rabo-kader dat, begeleid door de Jostiband en onder leiding van een blije zzp’er, ter meerdere eer en glorie van het saamhorigheidsgevoel uit zijn werkkorset moet breken en eerst schroomvallig, maar allengs steeds losser en enthousiaster ‘De Raaabooo gaat het doen’ blèrt. Mannen en vrouwen in (mantel)pak die op een pannetje slaan, daar infantiele kreten bij slaken en er nog voor worden betaald ook!

Of wat te denken van ondernemers die zichzelf trakteren op een motivatiecursus onder leiding van niemand minder dan Pieter Monsma ‘de passieboer’, die, gehuld in boerenoverall met hooivork in de hand en naast zich een levensgrote nepkoe, zijn publiek als een kreupele dominee bekogelt met typisch polderlandse tegelwijsheden als: ‘… ik geloof dat er een doel is voor ons allemaal om iets aan de maatschappij te veranderen… En mijn doel is eigenlijk om Calvijn op te volgen…’

Zo hebben de twee sectoren stilletjes stuivertje gewisseld. Terwijl de publieke sector een ontspannen, op professionaliteit en autonomie gebaseerd arbeidsklimaat heeft ingeruild voor de werkdruk en prestatiemeting van een autofabriek uit de jaren vijftig, is de private sector stilletjes overgenomen door hippies in maatpak die de tucht van de markt, concurrentie en de strijd om marktaandeel hebben verruild voor zonnegroet, backrub, oceanisch levensgevoel en de zoektocht naar zichzelf. ‘Red in tooth and claw’? Een f•cking slöjdzolder is het…