Ober

In een bijzonder vrolijk restaurant in Tokio. Niet ver van de kleine Kandagawa-rivier met dierentuinachtige proportie en gekenmerkt door wijsgerige karpers onder water en onheil uitschreeuwende roeken daarboven. Daar kwam een klein Chinees meisje met een grote platte mand aan waar je de sake-kom van je voorkeur uit kon kiezen. Hoger of platter, dunner of dikker gebakken en in alle kleuren van jong struikgewas of regenwater. Dat gaf een warm gevoel.

Meest delicate behandeling die ik in een restaurant heb mogen ondervinden. Flikkende vlooien van alle obers ten spijt. Daarom kwam ik, omdat ik in deze veel te kubusvormige ruimte mijn gedachten maar niet in een goed bochtige spiraal kon krijgen, tot de slotsom dat je het beste je eigen ober kunt zijn.
‘Wil mijnheer een scherpe vork? Of juist botte punten, zoals vroeger bij moeder? Kleine portie met veel saus, zoals bij oma? Precies zeventien pommes frites? Wil mijnheer met mooie takjes waterkers naar lelijke andere mensen gooien? Wil mevrouw mijnheer gratine?’
Ze proberen van alles in de horeca, maar echt leuk, daar komen ze niet op. Een samenkomst in restaurant hoort een opgepoetste mesthoop te zijn, echt en vals dusdanig door elkaar gemengd dat het als water en vuur onder hemels gesis in elkaar opgaat. Ober heeft, als anachronistisch vehikel, van huis uit een karakter als een aperots nodig. Om daarvan vervolgens op de eetvloer grootmoedig afstand te doen. Hij moet losjes leren omgaan met zijn reserve aan culilarie. Zich wellustig schurken aan de domheid van zijn ondergeschoven klanten. Geen misbruik maken van zijn kennis waar het de schadelijke gevolgen van Szechuanpeper betreft. Elke seconde te beseffen dat hij het ook maar voor het geld doet. De perfecte slet uithangen. Klanten niet kussen maar de illusie geven dat hij het echt leuk vindt om beslagen puree en vermolmde pastei aan te slepen. Zijn geestelijke broek natuurlijk niet uittrekken, maar psychokinetisch als geen ander, wel een beetje laten zakken. Die ober zoek ik in mijzelf.