groen

Ober

In het buitenland maakte ik elke dag vuur, ik was de vuurmaker. Soms al in de ochtend, en dan hield ik het zachtjes smeulend tot het avond werd en in de avond kwamen er altijd wel vrienden bij me zitten, met glazen witte wijn, of een whisky met ijs. Zelf dronk ik er Peket bij, een soort jenever. Urenlang kon ik in mijn eigen vuur kijken, nadenken over dit of dat, leven en dood, zus en zo, de dag van morgen, de dag van eergisteren. Het vuur wist dat het ging regenen, uren voor er werkelijk water uit de lucht kwam, dan weigerde het lekker te ontvlammen, blies ik tot het me zwart voor de ogen werd en ik bijna omrolde. Er was daar een jongetje, een heel lief jongetje, dat ook wel eens een blok hout op het vuur gooide en dan zei: ‘Nu is het vuur van mij!’ Nadat ik op een avond dwars door drukke gesprekken en handelingen heen urenlang woordeloos één was geweest met een ober, en hij met mij, waarbij hij soms biefstukken in gastenschoten liet glijden, staarde ik heel anders in mijn vuur. Geen leven en dood, zus en zo, maar het allesverterende idee dat ik altijd te laat was, het leven liet lopen, de ene na de andere kans miste, en onafwendbaar - kijk, tóch - op de dood afstevende. Boven mij een enorm uitspansel, in mijn glas de zoveelste hoeveelheid Peket, het hout knapte oorverdovend. Geen enkele nachtvogel liet zich horen.
Dat ik de laatste avond geen vuur maakte, kwam door een bizarre niet-lichamelijke schermutseling met de ober, die ik eerder diezelfde avond weer zag. Er was enige taalverwarring in het spel. Het kwam niet eens in me op vuur te maken. Het was koud en duister in het bos. Op de ochtend van vertrek ging ik brood halen. Het regende zacht en ik zag in levensgrote letters dit op de weg staan: HUP ANTON GEESINK. Het is echt waar, zoiets kun je niet eens verzinnen. Het was de aanzet tot verzoening met dit regelmatig totaal onbegrijpelijke, open vuur- en oberloze leven.