Objectieve beeldvorming

Op zijn website schrijft Joris Luyendijk dat zijn vorige boek, Een tipje van de sluier, «voor geen meter» verkocht «…totdat op 11 september 2001 al-Qaeda mij te hulp schoot». De inval van Israël in Libanon lijkt nu hetzelfde te doen voor Het zijn net mensen, maar het zou jammer zijn als het boek alleen in de roes van de actualiteit verkocht wordt. Het is een ontregelend en pijnlijk zelfonderzoek over Luyendijks werk als correspondent in het Midden-Oosten en het stelt scherpe vragen over de rol van de westerse pers aldaar. Die openhartige inzichten zijn op zichzelf al interessant, maar ze zijn des te relevanter omdat de perscarrousel in het Midden-Oosten dezer dagen op topsnelheid draait.

Luyendijk werkte vijf jaar voor de Volkskrant, NRC Handelsblad, Radio 1 en het NOS-Journaal in het Midden-Oosten. Op sardonische toon vertelt hij over de teleurstelling die met dat werk gepaard ging. Teleurstelling over de geringe mogelijkheden van een idealistische jonge arabist om echt iets van waarde en waarheid over wat hij zag te berde te brengen; teleurstelling over de alledaagse wreedheden van het leven in een dictatuur (Egypte) of in bezet gebied (Oost-Jeruzalem), en vooral teleurstelling over de cynische, verkokerde en veroogklepte manier waarop de media, ook Nederlandse, daar opereren.

Wat Luyendijk scherp in beeld brengt is de organisatie van het nieuws in het Midden-Oosten. De correspondent heeft daar geen greep op, al spreekt hij nog zo goed Arabisch, en al zijn zijn contacten nog zo fijnvertakt. De internationale persbureaus en cnn bepalen de keus, de tv- en krantenredacties reageren daarop, waarna de correspondent wordt gebeld. De nieuwsmachine is dan al in gang: «Het beeld van correspondenten is dat zij ‹het verhaal› hebben, maar in werkelijkheid is nieuws als een lopende band in een broodfabriek. Achteraan staande correspondenten en wij doen wel alsof wij dat halfje wit zelf hebben gebakken, maar in feite hebben we er alleen de verpakking omheen gedaan.»

Alle formele en nobele criteria over objectiviteit, weerwoord, beide-kanten-laten-zien et cetera worden door dat onverbiddelijke systeem vrijwel volledig overstemd. Luyendijk realiseerde zich tot zijn schande dat verslaggevers als hij niet verslag doen van een oorlog, maar als een wapen in die oorlog worden gebruikt. Zijn eigen ervaringen met het sublieme publiciteitsapparaat van Israël zijn onthutsend, zeker als hij die afzet tegen de armzalige prestaties van de Palestijnen (en de Arabische staten).

Hoe gesmeerd die machine loopt bleek de afgelopen dagen ook in Nederland. Nog voor de grotere televisieprogramma’s (Netwerk, Twee Vandaag, Nova) eigen verslaggevers goed en wel op de grond hadden in het gebied waren Ehud Barak en Benjamin Netanyahu al live in Nederlandse actualiteitenrubrieken te zien. Normaal gesproken lenen zulke zwaargewichten zich zelden voor klein grut als de eo, maar in tijden van nood wel. Luyendijk beschrijft hoe zij door het Israëlische Government Press Office beschikbaar worden gesteld; Nederlandse redacties gaan graag op het aanbod in. Tegenover een presentator als André Zwartbol, die zijn vragen stamelend van papier voorleest, is de buit snel binnen: door de zwaargewichten worden termen als «zelfverdediging» en «het uitschakelen van infrastructuur» soepel in het discours geïntroduceerd. Daarna zoeken de Nederlandse journalisten ook een Libanese of Arabische zegsman, die een en ander kan tegenspreken, maar zo die al te vinden is, is zijn weerwoord vaak van matige kwaliteit (slecht Engels, agressieve toon, cliché-redeneringen) en komt altijd te laat.

Luyendijk stelt dat «onze» ogenschijnlijk evenwichtige manier van verslaggeven een sjabloon is geworden, dat uitgaat van een «wij tonen de beelden, u trekt uw eigen conclusies»-idee en beantwoordt aan een oprecht verlangen van de kijker naar een afgewogen enerzijds-anderzijds-benadering. Als Partij A aan het woord komt, dan ook Partij B, en liefst precies even lang. Maar die benadering schiet te kort, zegt Luyendijk: een journalist moet ook tegenwicht bieden aan de vertekening. In het Midden-Oosten zijn de partijen en hun informatievoorziening verre van gelijkwaardig. Israël en Hezbollah vuren op elkaar, maar de militaire macht van de een is nauwelijks te vergelijken met die van de ander. Luyendijk maakt een vergelijking met een voetbalwedstrijd, waarbij een team met 8-1 wint. Moet de journalist alleen die doelpunten tonen en verder denken: sneu, maar dan hadden de verliezers maar beter moeten spelen? De Nederlandse televisiejournalistiek houdt het, in het algemeen, bij de doelpunten en korte interviewtjes met de beide trainers. Dat is het sjabloon van vals evenwicht, zegt Luyendijk: «Maar wat als het speelveld schuin afloopt, een grensrechter familie blijkt van het winnende team (…) en de coach van de verliezers (…) is benoemd met hulp van de tegenstander? (…) Moeten correspondenten niet boven het scoreverloop staan en tonen waarom het team zo ondermaats presteert? Een journalist die zich beperkt tot de rol van doorgeefluik, schaart zich in feite aan de zijde van de partij die de nieuwsstroom het beste naar haar hand weet te zetten.» Dat laatste is een fundamenteel en pijnlijk punt dat veel van de (televisie-)reportages uit het Midden-Oosten in een ander daglicht zet.

Om nog maar te zwijgen over de vraag in hoeverre redacties hun principes compromitteren vanwege de concurrentie: de eerste willen zijn, zorgen «dat je het hebt», ook al slaat het nergens op; het gevoel van «er bovenop zitten» hoger waarderen dan de feitelijke relevantie; een doorgeschoten belangstelling voor _Hart van Nederland-_achtige petite histoire – de kranige bejaarden, enzovoort.

Koen Kleijn

Joris Luyendijk, Het zijn net mensen: Beelden uit het Midden-Oosten, Podium, 220 blz., € 18,-