media

‘Objectiviteit’

De media zijn niet objectief, zo luidt de afgezaagde klacht. Bewijzen zijn niet moeilijk te vinden. Iedereen is in staat een gebeurtenis te bedenken waarvan hij of zij getuige is geweest, en waarvan vervolgens een heel andere voorstelling van zaken in de media werd gegeven.

Er lijkt geen ontkomen aan: de media zijn subjectief tot op het bot. En toch blijft de serieuze journalistiek zich, van haar kant, beroepen op ‘objectiviteit’ als kernwaarde van haar professionele code. Wat eruitziet als een onmogelijk ideaal blijkt nog altijd leidend. En dat gebeurt niet zonder reden.

De schurende opvattingen over ‘objectiviteit’ en de kwaliteit van de journalistiek kunnen in veel gevallen herleid worden tot de gedachte dat er zoiets zou bestaan als een eenduidige, waarheidsgetrouwe weergave van ‘de’ realiteit, een werkelijkheid die bij voldoende ‘objectiviteit’ vanzelf aan het licht komt. En dat is uiteraard een illusie: een onbemiddelde toegang tot de wereld die ons omringt, is niet mogelijk, ook al maken de media zelf graag gebruik van metaforen als ‘venster op de wereld’ – alsof de teksten en beelden een soort ramen zijn, van glas, waardoor we naar ‘de werkelijkheid’ kunnen kijken.

Zo simpel is het dus niet. Journalisten zijn geen neutrale sluiswachters die ‘de feiten’ aan ons doorgeven. Het zijn de media die ‘feiten’ selecteren, of, scherper nog: creëren, puttend uit de onoverzichtelijke, amorfe massa van kleine en grote gebeurtenissen, die ieder moment van de dag overal plaatsvinden. Pas in een mediacontext worden deze gebeurtenissen tot nieuwsfeiten, pas dan krijgen ze betekenis – en hoe overtuigender de presentatie, des te harder worden de feiten. Media weerspiegelen niet ‘de werkelijkheid’, maar schotelen ons een specifieke interpretatie voor van de wereld om ons heen, interpretaties die heel eenvoudig voor andere kunnen worden ingeruild.

De wereld, ‘de werkelijkheid’, is dus geen neutrale categorie, maar wordt – om mediatheoreticus Jaap van Ginneken te parafraseren – in het nieuws zelf geschapen. Het is niet moeilijk te bedenken dat dit constructieproces blootstaat aan een eindeloze reeks invloeden, te beginnen met de persoonlijkheid en opvattingen van de journalist, de omgeving waarin hij of zij werkt, de genres, routines en technieken van het vak, en, aan de andere kant van het spectrum, commerciële factoren. Uiteraard werken ook intrinsieke eigenschappen van het medium in op de constructie van het nieuws, zoals de televisiejournalistiek, met haar nadruk op snelheid, afwisseling en theatrale aspecten, telkens weer bewijst.

Journalisten die serieus reflecteren op hun professionele werkzaamheden zullen zich zonder enige twijfel herkennen in bovenstaande karakterisering – maar tegelijk aarzelen haar te bevestigen. Erkenning van de gedachte dat ‘de werkelijkheid’ slechts een constructie is, zou immers de deur kunnen openen voor een oeverloze subjectiviteit en een cynisch anything goes – zolang de lezer of kijker ervoor wil betalen – waarmee het toch al schamele vertrouwen in de journalistiek verder zou worden ondermijnd. Dat is begrijpelijk, maar ook ontkennen maakt kwetsbaar.

Het zou daarom de moeite waard zijn nog beter na te denken over alternatieve strategieën, die – zonder terug te vallen op allerlei traditionele, naïeve concepten – recht doen aan centrale waarden van de serieuze journalistiek. De media zouden kunnen beginnen meer van de eigen werkwijze te laten zien, transparanter te opereren en de eigen beperkingen te tonen. Die opstelling sluit nauw aan bij wat wetenschapstheoreticus Bruno Latour second-degree objectivity heeft genoemd: een relatieve onpartijdigheid, door tegelijkertijd verschillende (deel)opvattingen naar voren te brengen en zichzelf ten opzichte van de controverse te positioneren. Die optie is vooral vruchtbaar in ingewikkelde kwesties, waarin zekerheden dikwijls ver te zoeken zijn, zoals het klimaatdebat.

Maar ook het vertrouwde begrippenkader hoeft niet in een keer overboord – zo min als dat is gebeurd in de geschiedschrijving of de sociale wetenschappen, die tenslotte met identieke problemen worstelen als de journalistiek. Ook daar gaat het om interpretaties en niet om realistische voorstellingen van ‘de’ historische of sociale werkelijkheid. ‘Objectiviteit’ zou daarom niet moeten worden opgevat als een eigenschap of kwaliteit van het journalistieke eindproduct – het nieuwsbericht, de reportage, de documentaire – maar van de werkwijze van de media.

Objectiveit als methode – daar gaat het om: het zoeken naar gevarieerde bronnen, het checken en analyseren daarvan, het uitfilteren van persoonlijke elementen en opvattingen (of deze expliciet benoemen), het nadenken over het krachtenveld waarin men opereert, het zoeken naar evenwicht in de presentatievormen. Juist in dat streven – het is hier al eerder gezegd – ligt het bestaansrecht van de journalistiek en dat is wat het publiek in laatste instantie van haar verwacht.