Allard Schroder, Favonius

Obscene omhelzingen

Allard Schröder

Favonius

De Bezige Bij, 343 blz., e 19,90

Een burgerroman, zo luidt de terechte maar enigszins ironische ondertitel van Favonius, de nieuwste roman van Allard Schröder. Want je zou eerder aan een antiburgerroman denken als je dit boek leest. Schröder trakteert ons op een scala aan kleinburgerlijke angsten en fantasieën, gooit er naarmate zijn boek vordert nog maar weer eens een paar schepjes bovenop en laat ons huiveren over zoveel kleinzieligheid, opgeklopte rancune en misplaatste ambitie. En dan al die ellende die onophoudelijk de karakters geselt. Schröder zet ons vele fraaie staaltjes van slecht weer-beschrijvingskunst voor die stuk voor stuk de bedoeling hebben de karakters lekker te laten verzuipen en die tegelijkertijd een sfeer van peilloze wanhoop oproepen. «De volgende dag vielen stortregens klaterend uit de hemel, straten stroomden vol, modderwater spoot uit de riolen omhoog. Putten spuwden zwart water uit, dat onder een oliefilm van parelmoer tot rust kwam en met huisvuil meedreef naar laaggelegen plaatsen, waar het in dode hoeken werd ge stuwd.»

Binnen deze treurigheid gaat het van kwaad tot erger met de held Felix Favonius, overduidelijk een onbenul, «een zesjesman», maar wel iemand met torenhoge ambities die allemaal gefnuikt worden. Groot is zijn vrees dat zijn vrouw hem ooit zal bedriegen en op een dag komt hij per ongeluk wat vroeger thuis en daar ligt ze, in een obscene omhelzing met zijn beste vriend. Dé angst van burgermannen dat ze, ja «ze», op een dag, het kan niet lang meer duren, hun enige bezit zullen afnemen.

Ooit schreef Simon Vestdijk met Op afbetaling een beklemmende en ge slaagde roman rond het thema «be trapping», zeker ook met de bedoeling al die burgermannetjes met hun benepen obsessies eens flink op de kast te jagen. Datzelfde beoogt Schröder. Hij maakt er een groteske angstdroom van. Keer op keer ziet de held de betrappingsscène voor zich en zelf probeert hij hem na te spelen met een latere minnares. Verdubbeling van een door rancune gedreven wanhoop, dit is een van de ingrediënten waarmee Schröder zijn helden en heldinnen opzadelt. Maar ook maakt hij met plezier gebruik van allerlei wensdromen waarmee de kleinburgerlijke man zijn eigen fantasiewereld in stand houdt. Dit vooral met de bedoeling ons eens flink de stuipen op het lijf te jagen, zonder dat Schröder de indruk wekt van een af standje op anderen te willen afgeven. Hij legt, zoals het een goede schrijver betaamt, ook zijn eigen angsten en fantasieën op het hakblok.

Neem het personage Jeanne, eigenares van een verlopen hotel. In alles voldoet ze aan de troebele wensdromen van de benepen mannelijke kleinburger. Ze valt als een blok voor de held, iets waar deze sterk naar verlangt, maar haar kruiperige onderdanigheid, die buiten alle proporties is, verlaagt tegelijkertijd diens lustgevoel. Te vrezen valt dat Schröder met dit personage niet in de prijzen valt bij de uitverkiezing van het meest feminiene personage in de Nederlandse literatuur van dit jaar. Al be schrijft hij haar opvallend liefdevol, waarmee hij haar ver uittilt boven een platvloerse karakterisering. Juist deze dubbelzinnigheid, die in het hele boek voorkomt, maakte dat ik niet alleen vaak in de lach schoot om zoveel verlekkerd uitgeserveerde rancune en leegte, maar ook in de personages geïnteresseerd bleef. Ook de eenogige en eenbenige Louise de Besse – Schröder was niet van plan zich ook maar door iets te laten remmen – brengt het allerlaagste in de held naar boven. Zijn erotische dromen gaan geheel met hem op de loop en hier neemt Schröders schrijfkunst een hoge vlucht: «Eindeloze rijen zwaar opgemaakte vrouwen met paarse tepels zag hij, die zich over hem heen stulpten, hem hun borsten presenteerden, hun bittere anus in zijn gezicht drukten, eindeloze rijen vrouwen met één been en één oog die met krakend leer hun zadel op hem plaatsten.»

Maar nog veel geestiger zet de schrijver zijn held in al diens leeghoofdige rancune neer in de volgende passage: «In de verte naderde Louise de Besse op haar paard. Het verwonderde hem dat ze met een kunstbeen zo goed kon rijden, maar misschien was het wel heel gewoon en kon iedereen met één been het als hij wilde.» Als je wilt kan iedereen alles. Wat Schröder hier schijnbaar tussen neus en lippen door en oneindig geestig formuleert, is precies de kern van het gedachtegoed van de mannelijke, rancuneuze kleinburger. Het leven is een kwestie van willen en verliezers hebben niet genoeg gewild.