Essay: Ferdinand Domela Nieuwenhuis en de romantiek

Occupy’er van de eerste lichting

Links staat in Nederland voor vooruitgang. Nostalgie heet al snel rechts of conservatief te zijn. Maar de biografie van Domela Nieuwenhuis, voortrekker van het vroege socialisme, laat zien dat links altijd mede geïnspireerd is door heimwee naar wat verloren ging – tot en met Occupy en de SP.

Over de oud-predikant en anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis is zoveel gepubliceerd dat zijn beeld vastomlijnde trekken heeft aangenomen. Er is de in brons gegoten voorstelling die Johan Polet in 1931 op het Amsterdamse Nassauplein neerzette: Domela als de verlosser, als de vuist heffende revolutionair die de aanzet gaf tot de emancipatie van het proletariaat.

Er is ook het tegenbeeld, opgetrokken door parlementairen als Troelstra en diens sociaal-democratische erfgenamen. Zij vereeuwigden Domela als een autoritaire fanaticus, even emotioneel als instinctief, even dromerig als onrealistisch. De beschermheer van de troep onvolwassen romantici in de Sociaal Democratische Bond – de in 1882 opgerichte, eerste socialistische partij van Nederland – miste, in de woorden van Henriëtte Roland Holst, de discipline en het inzicht voor een effectieve strijd tegen de grootindustrie. Pas toen in 1894 onder Troelstra de weg der rede was ingeslagen, behoorde de periode van verwarring tot het verleden. De geschiedenis van de echte, moderne arbeidersbeweging kon beginnen.

Dit normatieve beeld is eerder ter discussie gesteld. Historicus Dennis Bos reconstrueerde de vroege socialistische beweging zonder in anachronismen en sjablonen te vervallen. In zijn terechte rehabilitatie van de Amsterdamse ‘volksvrienden’ wordt echter niet getornd aan de historiciteit van de zogenaamd op elkaar volgende ‘oude’ (onbesuisd en irrationeel) en ‘moderne’ (volwassen en rationeel) fase van de arbeiders­beweging. Ten onrechte. De biografie van Domela Nieuwenhuis laat zien dat hij en zijn beweging in een lange, romantische traditie van sociaal verzet staan. Misschien nog wel belangrijker: die rebelse, romantische traditie gaat niet vooraf aan de moderne, door de Verlichting geïnspireerde linkse beweging. Zij heeft het kapitalisme vanaf het prille begin begeleid – tot op de dag van vandaag.

De karakterisering van Domela Nieuwenhuis als een romantische revolutionair heeft verstrekkende gevolgen. Ze verschaft een nieuw interpretatiekader voor het conflict tussen Domela en Troelstra, een botsing van culturen en politieke stijlen die zo hoog opliep dat in 1894 de sdb splitste en de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (sdap), de voorloper van de pvda, werd gevormd. Ze helpt zelfs moderne linkse bewegingen en partijen als Occupy en de SP beter te begrijpen.

De stelling biedt ook meer inzicht in Domela’s eigenaardigheden en in zijn tegenstrijdige natuur. Ze ondergraaft het gangbare beeld dat socialisten als Domela in de eerste plaats zijn geradicaliseerd door het Verlichtingsideaal, dat rationalistische kritiek de belangrijkste drijfveer was van hun emancipatiestreven.

Vanzelfsprekend wierp Domela zich op als de verdediger van de Verlichting en de Franse Revolutie, evenals de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Hij had echter net zo goed oog voor kwaliteiten die met de moderniteit verloren gingen. Zoals de gemeenschap, verdraagzaamheid, ridderlijkheid en offervaardigheid; leven in harmonie met de natuur; en arbeid als creativiteit. Kortom, al die kwaliteiten die Max Weber ooit samenvatte als de betovering van het leven.

Misschien wel meer dan de pervertering van de moderniteit moedigde heimwee naar wat verloren ging Domela aan de industriële maatschappij te bekritiseren. Hij ontleende zijn gedrevenheid dus niet alleen aan de Verlichting, maar ook aan de Romantiek. Die combinatie verklaart voor een goed deel zijn wonderlijke ambivalente natuur. Aan de ene kant zijn sterke individualisme, aan de andere kant zijn verlangen naar een eenheid van een hogere orde, naar gemeenschap. Domela was een realist en een dagdromer, tegelijk nostalgisch en utopisch, rebels en melancholiek, beheerst en hartstochtelijk. Zijn profetische roepingsbesef, zijn hang naar lijden en martelaarschap waren typisch romantisch. Hetzelfde geldt voor zijn streven naar ascese en zuiverheid – Domela was vegetariër en geheelonthouder.

Al die eigenschappen had hij gemeen met even romantische tijdgenoten, zoals de schrijver en sociaal hervormer Frederik van Eeden. Ook het leven van de stichter van Walden laat een voortdurende tweespalt en spanning zien. Datzelfde gold voor Multatuli, wiens typische hang naar martelaarschap en zijn neiging tot zelfbeklag al in zijn schrijversnaam doorklinkt (‘Ik heb veel geleden’), maar ook voor Abraham Kuyper. Deze staatsman, profeet en verlosser van de kleine luyden beklaagde zich al evenzeer over de miskenning en verguizing op de eenzame post waartoe hij geroepen was.

Er blijken grote overeenkomsten te bestaan tussen deze figuren. Toch gingen zij, hun romantische ziel ten spijt, politiek hun eigen weg. Domela en Kuyper kwamen zelfs lijnrecht tegenover elkaar te staan, het scherpst in een van de grootste stakingen die Nederland in de twintigste eeuw trof: de haven- en spoorwegstaking van 1903.

Die diversiteit roept de vraag op of een opsomming van gemeenschappelijke karaktertrekken, zelfs als die uitputtend is, niet iets willekeurigs houdt. De vraag stellen is haar beantwoorden. Toch is dat geen reden om het begrip Romantiek overboord te zetten. Romantiek, in de zin van een kritiek op de moderniteit in naam van waarden uit het verleden, is wel degelijk een verbindend principe dat rechtvaardigt dat zulke uiteen­lopende karakters onder een noemer worden gebracht.

Andere visies op de Romantiek staan dat veel minder toe. Sommige leggen de nadruk op haar conservatieve en contrarevolutionaire rol. Maar hoe dan Domela te begrijpen, of Rousseau, of Duitse Romantici als Hölderlin en Büchner, toch ook uitgesproken aanhangers van de Franse Revolutie? Andere weer beschouwen de Romantiek als een oppositie tegen de Verlichting uit teleurstelling over haar niet ingeloste beloften. Maar ook in zo’n interpretatie is er geen plaats voor een figuur als Rousseau. De achttiende-eeuwse denker werkte mee aan de Encyclopedie van Diderot, het monument van de Verlichting. Maar hij bewonderde ook de ‘edele wilde’ en schreef het ophefmakende Julie ou la Nouvelle Héloïse, alom beschouwd als hét voorbeeld van de Romantiek. In zijn werk en persoon sluiten Verlichting en Romantiek elkaar dus allerminst uit.

Die dubbelzinnigheid vinden we, zoals gezegd, ook bij Domela. Toch is dit zelden opgemerkt. Dat komt waarschijnlijk voort uit het misverstand dat een realistische kritiek op de burgerlijke maatschappij slechts vanuit één perspectief mogelijk zou zijn: dat van maatschappelijke vooruitgang. Onder liberalen en sociaal-democraten leefde de overtuiging dat een blik naar achteren noodzakelijk een vlucht uit de realiteit was.

Eigenlijk is dat nog steeds zo. Betogers tegen kernenergie kregen in de jaren tachtig steevast te horen kregen dat ze de moderne tijd niet begrepen en met hun hoofd in de wolken liepen. Of wat te denken van vakbondsmensen, SP’ers en anderen die zich sterk maken voor in de vorige eeuw verworven rechten op het gebied van arbeid en arbeidsverhoudingen? Ook zij worden maar al te graag als conservatief weggezet, hun pleidooien voor een verzorgingsstaat als nostalgie.

De stigmatisering conservatief en irrationeel te zijn, dient ertoe het verleden als inspiratiebron voor verzet tot verboden gebied te maken. Net als in de tijd van Domela. Hem werd verweten een dromer te zijn die het contact met de werkelijkheid kwijt was. En inderdaad, Domela was soms weloverwogen niet-realistisch; hij liet zich graag door mythes en fantasie inspireren. Maar zijn kritische irrealisme voedde de verbeelding. Het stelde hem in staat het geïdealiseerde verleden te transformeren tot een droom over de toekomst, een alternatief voor de onmenselijke werkelijkheid van zijn tijd. Domela stond daarin niet alleen. Kunstenaars en theoretici als Charles Fourier en William Morris gingen hem voor.

Hoe hun utopieën er ook uitzagen, ze werden geboren uit een kritiek op de industriële maatschappij uit naam van het verleden. Dat was bij Frederik van Eeden en Abraham Kuyper niet anders. Alleen de precieze vorm van de kritiek en de oplossing maakten dat hun levens uiteenliepen. Abraham Kuyper, de oprichter van de Antirevolutionaire Partij die vocht voor het herstel van het christelijke beginsel, was bij uitstek de exponent van een restauratieve reflex. Van Eeden, de kritische realist, berustte dan wel in de industriële samenleving maar probeerde haar met zijn sociale experimenten te hervormen. Voor Domela echter, de radicale antikapitalist, die een egalitaire socialistische utopie voor ogen stond, telde alleen de revolutie.

Het romantische universum kende dus een bontgekleurd palet van soms contradictoire politieke oplossingen. Van restauratief via fascistisch en hervormend naar revolutionair en/of utopisch, met vele tussenschakeringen waarbij figuren in hun levensloop sympathie voor verschillende oplossingen konden uitdragen. Zo begon Domela zijn loopbaan als een aanhanger van het hervormingsgezinde radicale liberalisme en ontwikkelde zich via een utopisch-humanistische fase naar het libertaire socialisme.

Domela kwam in verzet omdat iets kostbaars verloren was gegaan: waarden en idealen, die hij uit mythen of legenden kende, zoals de voorstelling van het verloren paradijs, waar moderne vervreemding onbekend was. Of Thomas More’s Utopia, dat hij uit het Latijn vertaalde en dat, zo jubelde hij, ‘in juistheid en scherpte’ een ongeëvenaarde kritiek behelsde op ‘den toestand in Engeland’. More’s Utopianen leefden in gemeenschap zonder privé-bezit, verdraagzaam en onbaatzuchtig.

Maar Domela ontleende zijn idealen niet alleen aan mythen. Hij zocht ze even goed in een ver­leden dat wel degelijk een reële historische betekenis had, zoals dat van de pre-industriële moral economy, waarin de arbeidskracht nog ongedeeld was en de arbeid en het product ervan gebonden waren aan traditionele kwaliteitsnormen. Of dat van de vroeg communistische samenleving met zijn gemeenschappelijke grondbezit en zijn egalitaire sociale verhoudingen. Of van de eerste christen­gemeente, waar Jezus’ leerlingen zich op communistische beginselen baseerden, ‘in broederschap met gemeenschappelijk eigendom’.

Domela zag een gelijkenis met de moderne socia­listische beweging. Hij sloot zich er in het najaar van 1878 bij aan. Daarbij werd hij vooral aangetrokken door de geurende rozen, en pas in de tweede plaats door het brood. Hem ging het om het prikkelende ­ideaal van solidariteit en gemeenschap. Het verbond hem met Romantici als Saint Simon en de al eerder genoemde William Morris en Charles ­Fourier, van wie hij de samenhang leerde begrijpen tussen collectief bezit en sociale harmonie.

Domela voelde zich aanvankelijk goed bij Marx thuis. De auteur van Das Kapital was een uitgesproken Verlichtingsman. Maar Marx, that son of the steam engine, was daarom niet minder gevoelig voor de uit een prekapitalistische ethiek geboren kritiek op de desintegratie van het traditionele gemeenschapsleven. In Der Ursprung der Familie raakte zijn geestesbroeder Friedrich Engels de juiste snaar toen hij over de primitieve staatsvormen opmerkte: ‘Welk een verwonderlijke instelling in al haar eenvoud en kinderlijkheid! Zonder soldaten, gendarmen en politie, zonder adel, koningen, stadhouders, prefecten of rechters, zonder gevangenissen, zonder processen gaat alles geregeld zijn gang. Allen zijn gelijk – en vrij – ook de vrouwen.’ Bij deze maatschappij stond de moderne beschaving, aldus Engels, ver ten achter.

Domela zocht naar een herstel van gemeenschap, en tegelijk, maar daarmee niet in tegenspraak, naar een herstel van het Ik, naar subjectiviteit in al zijn rijkdom en diepgang. Het ging hem om bevrijding van het individu, om de mens. Niet in eenzaamheid en vervreemding, maar hersteld in verbondenheid met zijn medemens en de natuur. Voor dat individualisme met zijn sterke accent op ieders uniciteit, zo anders dan het tot ‘ding’ gedegradeerde schepsel van het moderne liberalisme, kwam hij keer op keer op tegen degenen die pleitten voor een strakkere organisatie. ‘Organisatie’, zo riep hij hen toe, ‘akkoord!’ Maar, voegde hij er onmiddellijk aan toe, ze moet tijdelijk zijn, in niets verplichten en geen interne macht uitoefenen. Het is als Occupy avant la lettre.

Domela’s ideeën verdroegen zich slecht met de moderne arbeiders­beweging, met haar voorkeur voor discipline en hiërarchie. In de sdap van Troelstra, Polak en Van der Goes was een geheel andere vorm van anti­kapitalisme gangbaar. De maatschappij werd er bekritiseerd, niet vanuit het verleden maar vanuit moderne rationalistische en utilitaristische overwegingen: het systeem was niet doelmatig, bedreigde de (sociale) vrede of werkte verspillend. Ze riepen op nu eens eindelijk de belofte van de Franse Revolutie waar te maken. In de Tweede Internationale verloor het romantische antikapitalisme snel terrein. Rationalisme, evolutio­nisme en positivisme kwamen ervoor in de plaats, en daarmee ook een andere kijk op de rol van de massa.

Domela stelde de eenheid van alle verdrukten centraal, een eenheid die niet alleen op het verstand, maar minstens zozeer op de hartstocht gebaseerd moest zijn. Autonome activiteit en zelfbewustzijn dienden de grondslag van de bevrijding te zijn, spontaniteit en organisatie combinerend. Domela had niet alleen het ‘moderne’ geschoolde proletariaat voor ogen, zoals Troelstra, maar ook de werklozen, de dieven, de prostituees, de bedelaars en behoeftigen. Hij koesterde hun vitaliteit, zoals Rousseau ‘de edele wilde’.

Het nieuwe socialisme was professioneler, formeler en gematigder. Voor Troelstra cum suis geen Vox populi, vox dei, maar een strak leidende hand. Want, aldus Troelstra in een bui van openhartigheid, ‘de stumperds [missen] geheel “das notige Zeug” om over de groote intern[ationale] en nation[ale] en organisatorische vragen te oordelen’. Die leidende hand stond haaks op Domela’s romantische fantasie over het spontane proletariaat dat zijn eigen bevrijding zocht. ‘Het socialisme-vanonder-op’ achtte hij onverenigbaar met ‘controle-vanboven-af’.

Troelstra verwachtte lotsverbetering op de eerste plaats van wetenschappelijke analyse en rationele antwoorden, van onpartijdige wetenschap die de wereld onderzocht in termen van kunnen, niet in termen van willen.

De verbinding van wetenschap en ‘moderne arbeidersklasse’ riep een nieuwe filosofische houding in het leven: de concreet lijdende mens werd ondergeschikt aan de abstract lijdende mensheid. Het socialisme werd de mens uit handen genomen en verloor zijn betekenis van zelfbevrijding. Beroepspolitici à la Troelstra namen zijn plaats in.

Troelstra stond voor een gedisciplineerde partij. Hoop, begeerten en idealen achtte hij ondergeschikt. Emoties zouden op de ineenstorting van het kapitalisme geen enkele invloed hebben. Alleen het partijbewustzijn telde. Domela bekommerde zich juist wel om hartstochten. Zonder woede en haat geen revolutie. Maar de tijdgeest werkte niet mee. De Franse socio­loog Gustave Le Bon stelde in zijn Psychologie des foules de onderklassen voor als in diepste wezen conservatief, als ‘wilden’ die de beschaafde wereld bedreigden. De anarchist zonder respect voor leven en eigendom was er de politieke belichaming van. Domela’s rivalen zagen in Le Bons bestseller een bevestiging van hun angst voor de massa. Ze hadden haar blinde woede aan den lijve ondervonden tijdens de Oranjefurie van februari 1887. Troelstra meende dat de irratio­nele massa nooit op eigen kracht vooruit kon komen, dat ze geen andere keus had dan door een partij of haar leiders op sleeptouw te worden genomen. Het proletariaat was gedoemd de gevangene van de maatschappelijke hiërarchie te blijven; socialistische politiek werd een zaak van heren. Domela vond het onverdraaglijk.

De Franse socioloog Michael Löwy heeft geconcludeerd dat de Romantiek als kritiek in naam van waarden en idealen uit het verleden het kapitalisme vanaf zijn geboorte als een schaduw volgde. En dat deze ondanks belangrijke vormveranderingen in de twintigste eeuw, zoals het expressionisme en surrealisme, door het werk van figuren als de jonge Georg Lukács, Franz Kafka, Walter Benjamin, Herbert Marcuse en Theodor W. Adorno, maar ook door de filosofie van de hoop van Ernst Bloch, en de subversieve kritiek van meer recente denkers en kunstenaars als Guy Debord, Fredric Jameson en Slavoj Žižek tot op de huidige dag dezelfde is gebleven.

Het is onmiskenbaar dat de Romantiek minder dominant is dan in de negentiende eeuw. Maar sociaal-culturele en politieke bewegingen zoals die van mei ’68, de derdewereldbeweging, de milieubeweging maar ook het feminisme en zelfs Occupy zijn moeilijk te begrijpen zonder die romantische traditie. ‘De wereld is niet te koop’, luidt de fameuze leuze van de andersglobalisten. Domela sprak van ‘mammonisme en de religie van het geld’. Al is er sindsdien een eeuw verstreken, het heimwee naar menselijke waardigheid, naar harmonie tussen mens en natuur, naar menselijke verhoudingen die niet vergiftigd zijn door het geld, is hetzelfde gebleven.


Jan Willem Stutje is historicus. Onlangs verscheen van hem Ferdinand Domela Nieuwenhuis: Een romantische revolutionair


Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919)

De aartsvader van het socialisme in Nederland begon als dominee. Nadat hij de kerk de rug had toegekeerd, behoorde hij in 1882 tot de oprichters van de Sociaal Democratische Bond. Al riep hij de arbeiders op hun lot in eigen hand te nemen, zijn snel groeiende aanhang beschouwde hem als een Messias. In Friesland noemden ze hem liefdevol Ùs Verlosser.

In 1887 belandde hij in de gevangenis wegens majesteitsschennis. Een jaar later kwam hij, ondanks het ontbreken van algemeen kiesrecht, onverwacht in het parlement. Rond diezelfde tijd was Domela’s invloed op haar hoogtepunt.

De mede door hem aangemoedigde revolutionaire koers leidde er in 1894 toe dat de SDB verboden werd en zich opsplitste. De meer gematigde, parlementaire vleugel van Troelstra en Polak richtte de SDAP op, de voorloper van de PvdA. Nieuwenhuis kon zich allerminst in hun koers vinden. De voormalige dominee was anarchist geworden. In die hoedanigheid legde hij zich in de laatste twee decennia tot zijn dood vooral toe op schrijven.