Ochtenddienst

Mijn broer kan niet goed tegen lange ziekbedden, een onhandige eigenschap. Het is vroeg in de ochtend als hij belt. ‘Die man is vannacht eindelijk doodgegaan’, zegt hij, ‘en weer geen tijd om de familie te troosten.’

Hij komt uit een nachtdienst, de Red Bull nog in zijn stem, de lege stad suist door de telefoon. ‘En Els zegt natuurlijk dat het een opluchting is, weer een vrij bed, ik heb gezegd dat ze kan opflikkeren met haar opluchting.’

Ik neem een slok slappe thee bij wijze van ontbijt. De ochtend komt altijd te vroeg, mijn maag is er nooit klaar voor, mijn hoofd ook niet. Ik vraag me af hoe anderen dat doen; opstaan, lekker de dag in. ‘De ochtend is onverzettelijk/ zoals een ongebruikte goederentrein’, schrijft Delphine Lecompte en ze heeft gelijk, elke dag word ik wakker op haveloos industriegebied waar zand en gebruikte condooms in mijn gezicht willen waaien. De dag is een van de weinige verschijnselen die moeten verstrijken om überhaupt te kunnen beginnen.

‘Heb je dat echt gezegd?’ vraag ik. Mijn broer is een uitstekende trooster, toen-ie klein was al, ook bij leed dat hij zelf had veroorzaakt. Het kwam voor dat hij mijn pluchen ringstaartmaki onder het kroos duwde, me daarna kwam knuffelen en zei: ‘Komt allemaal goed, wordt allemaal weer droog.’ Je zou denken dat deze eigenschappen van pas komen op de afdeling waar hij werkt, maar zijn leidinggevende ziet dat liever anders. Empathie is fijn, maar we blijven er niet in hangen, is haar aansporing om zorgvertraging te voorkomen.

‘Natuurlijk heb ik dat niet gezegd. Als ik erover klaag laat ze me weer twee weken lakens vouwen.’ Ik hoor een fietsketting rammelen, een klikje, dan inhaleert hij.

‘Ik dacht dat jij gestopt was?’

‘Ja’, zegt hij, ‘nee. Kijk, zo’n man voelt dat-ie doodgaat hè. Dat voelt-ie aan. Dus hij zegt tegen mij: morgenochtend is het gebeurd. Dus we bellen zijn dochter, die staat al klaar, vertelt ’s avonds nog een heel verhaal dat ze zo blij is dat zijn mannenkoor kan komen zingen, bij de dienst weet je wel, en dan zie ik haar net, vanochtend, helemaal moe, nog geen traan gelaten, alleen maar bezig met de verzekeringen. En dan is er dus geen tijd om even bij haar te gaan zitten. Want mevrouw Van Zandberghe moet haar medicijnen. Kutbaan.’

‘De toekomst is warm en weelderig en ook genadig, gezond en gastvrij’, zeg ik. Ik neem nog een slok thee, buiten piept iets, een vogel of autoband, in de ochtend lijkt alles op elkaar. ‘Maar het hier en nu is hardnekkig, gehaast en onuitgeslapen, met wanstaltige protocollen en begrotingstekorten.’

‘Wat zeg jij?’ vraagt mijn broer.
‘Je hebt het goed gedaan’, zeg ik.
‘Ik begrijp je niet.’
‘Je hebt het goed gedaan.’ Ik drink mijn mok leeg. ‘Je hebt het heel goed gedaan, ga nu maar slapen.’

Een vogel schreeuwt
dat het ochtend is
hij is eenzaam en verkouden
wil de nacht hier langer houden.

Maar de ochtend is onverzettelijk
zoals een ongebruikte goederentrein
maal honderdduizend
de ochtend wordt vergezeld door
vreemde lieden die fluitend naar
een toekomst fietsen
die toekomst is altijd warm en weelderig
en ook wel genadig, gezond en gastvrij.

Ik kleed mij aan en wapen mij
tegen onopgesmukte spotternij
en vernietigende evaluaties
ik fiets naar mijn werk
‘TE TRAAG, TE TRAAG, TE TRAAG’
huilt de wind die
zand en gebruikte condooms
in mijn gelaten gezicht spuwt.

‘Goud in de mond’
Delphine Lecompte
Uit: De dieren in mij, De Contrabas, 2009