Ode

Ben ik levensmoe? Of is het gewoon een soort van sartriaanse walging die haar gif in mijn bloedbanen heeft gespoten? Toen ik vanochtend opstond zag de wereld er grauw uit. Ik keek door het raam en constateerde dat alles op zijn plaats stond. De bomen, het transformatorhuisje, het gras langs de singel. Op het water dreven drie dode honden, een lege vogelkooi en een afgerukt hart. Ik probeerde aan iets opwindends te denken om de walging op afstand te houden.

‘Vandaag is mama gestorven. Of misschien was het gisteren.’ Ik schrok toch even van deze slinkse gedachte en ondanks het vroege uur belde ik voor alle zekerheid via mijn monodefoon op. Ik kreeg een lading verwensingen en zware beledigingen naar mijn hoofd geslingerd. Hoe ik het in datzelfde hoofd kon halen dat zij vandaag of gisteren was doodgegaan en dit alleen om aan mijn existentialistische walging te ontsnappen? Niks te Sartre. Ik was meer een voltairiaans canaille uit de noordelijke canaux die op een dag op een camusiaans schavot zou eindigen. En terwijl een lagedrukgebied lachend langs het raam scheerde legde ik neer. De zwarte monodefoon ontplofte onmiddellijk en de muur viel van het schilderij. De buren lagen in hun slaapkamer hijgend te vrijen en zeiden geen gedag. Ik bloosde en zette de muur terug tegen het schilderij. De walging wachtte geen seconde langer, schoot haar wortels in de vloerbedekking en bloeide tot een volwaardige depressie. De muren kwamen dreigend op me af en deden de kamer weer een stukje inkrimpen. Waar kwam die asgrauwe spleen toch vandaan? beet ik in origineel baudelairiaans geblaf dat ik de dag tevoren had aangeschaft mijn kopje koffie toe. Het kopje beet terug en mijn rechterduim en -wijsvinger begonnen te bloeden. Terwijl het medicijnkastje haar sirene aanzette en zich naar mijn werkkamer spoedde, hoorde ik wat geschreeuw op straat. Ik keek weer door het raam en zag dat in Peking de herfst was ingevallen. Daarom, waarschijnlijk, liepen plotseling al die Chinezen met spandoeken in mijn straat te demonstreren. Gedisciplineerd schreeuwden ze hun Nederlandse leuzen in koor die niemand meer wou begrijpen: 'Wij willen rijst uit 1966 en het correctief referendum! En een pittige ombudsvrouw met sambal! En een Utrechtse wafel! En een portefeuille met Peper!’ Achter die gekke Chinezen liepen duizenden vette varkens gezellig te groeien en vrolijk te hijgen: 'Dank je wel lieve fee Stapel: wij krimpen niet meer!’ Ik hoorde dat de buren mee hijgden en zag dat de varkens allemaal tegelijk klaarkwamen. De straat vulde zich ogenblikkelijk met stinkend gier. Mijn gemoedstoestand werd er niet beter op. Ook al omdat ik meer en meer kleiner behuisd werd. De zwarte reuzenbloemen van de volwaardige depressie hadden alle ruimte om me heen in beslag genomen. En ik wist heel goed dat je bij de parkeerpolitie minstens 250 gulden moest betalen om je in beslag genomen ruimte terug te krijgen. 'Pri, pri, depri…’ Het was de monodefoon die zich had gereconstrueerd. Mijn moeder was on mail. Ze had een jeugdige stem en zong na de piep haar boodschap in de stemmendoos: 'Luister doffe trommel: als het jou beter uitkomt wil ik best vandaag of gisteren sterven.’ Ik liet twee tranen rollen die op de vloerbedekking vielen en onmiddellijk door de wortels van de depressie werden opgezogen. Niets hielp meer. Was ik levensmoe? Maar op het moment dat ik overwoog er een eind aan te maken begon Vernon, de dode neger, me te roepen. Al een poosje bungelde hij, met een touw om zijn nek, aan de hoogste boom van de singel. Zijn tong hing op zijn borst en in zijn broek vormde zich een eigenaardige bobbel. Hoewel hij geacht werd als het graf te zwijgen, spuugde hij zijn woorden aan mijn adres dat toch in het monodefoonboek stond: 'Niet doen, niet springen! Het is maar een verjaardag!’ En ineens vulde de ledigheid zich. Het licht sloeg een mooi rond gat in het wegdek, waaruit het schuim der dagen rijkelijk spoot. Een deserteur klom de boom in om de dode neger los te maken. Ik wist het weer: het was nu veertig jaar geleden dat Boris Paul Vian op 39-jarige leeftijd was gestorven. Opgelucht begon ik de zwarte bloemen op te eten om wat ruimte te creëren.