Ode aan Betje Wolff

Tweehonderd jaar geleden, op maandag 5 november 1804 tussen één en half twee ’s middags, stierf in Den Haag Elizabeth Bekker, weduwe van dominee Wolff. Op 10 november werd ze begraven op het Scheveningse kerkhof Ter Navolging. Op 14 november overleed haar vriendin Aagje Deken; op 16 november werd zij in hetzelfde graf begraven.

Op de hoek van de Duinweg en de Scheveningse Weg, tussen een broodjeszaak en een kantoor, loopt een pad omhoog. Aan het eind is een poort, daarachter is de begraafplaats, zo groot als een tennisveld. Tegen de muur van de poort, aan de binnenkant, hangt een plaquette ter ere van Betje Wolff en Aagje Deken, schrijfsters van de eerste originele Nederlandstalige roman, Sara Burgerhart (1782).

Wolff en Deken zijn onderwerp van Ter Navolging, het voor de Ako-prijs genomineerde laatste boek van Kees ’t Hart. Op 5 november om 13.15 uur, het sterfuur van Betje, zal Kees ’t Hart deze ode voordragen aan het graf in Scheveningen.

Tweehonderd jaar geleden stierf Betje

Onder godsgruwelijke pijnen ze was

Verkankerd en versteend en kon alleen

Nog kermen maar ondankbaar was ze niet

Ik was haar minnaar voor wat jaren

Ze gunde mij haar hart en ziel en stem

En haar geheimen ze lachte om mijn

Hardnekkig overdreven dweeplust

Zij was mijn gelukkige schrijfster

Mijn heldin geliefde minnares mijn woord

Mijn huid en haar en alles wat ik was en ben

Dat is zij: Betje, Betsie en Elizabeth

Kees zei ze ga jij maar van me schrijven

Blijf me trouw en laat me overleven

Wantrouw de vergeetachtigheid

Van geschiedenis en gedenkgeschrift

Loop met me mee met open ogen

Kijk om je heen ik ben er nog altijd

Ik lees met alle lezers van alle boeken mee

Ik was voorgoed jouw lezeres en schrijfster

Bescherm me tegen lasterlijke stemmen

Tegen de kinderlijke arrogantie van het heden

Die mij tot voorbeeld wil verheffen

En het verleden als een film wil laten zien

Waarnaar tijdgenoten nu vertederd kijken

Gun mij mijn boeken en mijn bloedend hart

Gun mij mijn eigen sterfelijke stem

Hou me tegen het licht van al je dromen

Ieder boek is de herinnering aan alle andere

Boeken ik ben de herinnering aan het begin

Gedenk me niet in afzonderlijke stukken

Niet in uitleggerige zinnen in de krant

Niet in beschouwingen over vrouw en mens

En het wezen van wat niet meer bestaat

Lees van me proef mijn stem neem mijn woorden

Op je tong wees mijn geliefde jij mag het

Gedenk Betje Wolff niet als schrijfster

Van verleden niet als achteraf correcte

Chroniqueur van de geschiedenis zoals

Wij die nu voorgoed denken te kennen

Fluister haar stappen over straat

Bedenk de woorden die ze proefde

Herstel haar lach haar tintelende ogen

En haar blik die niemand zag

Gedenk Betje Wolff als ademtocht

Als glinstering als meisje bij de maan

Gedenk wat haar voor ogen kwam

Te staan gedenk haar menselijk gelaat