Ode aan de stad

Zojuist verscheen Gyorgy Konrads “De stedebouwer” in vertaling. Het boek stamt uit de jaren zestig, toen de stedebouw in Oost en in West in handen was van megalomane architecten en planologen. Daartegen schreef Konrad een pleidooi voor de stad als zintuiglijk feest. “Gyorgy Konrad, De stedebouwer. Vertaald door Peter Masthoff en Minna Buwalda, uitgeverij Van Gennep, 207 blz., f34,90.
DE STEDEBOUWER laat zich heel goed lezen als een barok loflied op de stad. Die stad is er niet alleen voor de basisbehoeften van de mens, maar ook voor zijn ingewortelde verlangen naar afleiding en amusement. Daarmee is dit boek, dat eind jaren zestig werd geschreven, ook een kritiek op de moderne stedebouwkunde, en niet alleen die van Hongarije of Oost-Europa. In de intellectuele verteller openbaart zich de tweespalt van de architect die eerst verleid wordt door de macht waarmee hij door de bureaucratie wordt uitgerust, maar die daarna toch kiest voor het volle leven: ‘'Je bent gemaakt om te feesten, verveling is een kapitale dwaasheid, verscheur de stilte van de nacht, neem de wereld al feestend in bezit, in routine kan je niet jezelf zijn.”

Gyorgy Konrad: “Toen ik het manuscript begin jaren zeventig bij mijn uitgever inleverde, weigerde hij het uit te geven omdat hij het te donker, te pessimistisch vond. Ik besloot het boek te herschrijven. De passages waarin de verteller zegt hoe hij zijn stad niet wil, vulde ik aan met passages waarin hij zijn utopie van de stad ontwikkelt. Maar ook daarmee was de uitgever niet tevreden, want ook die utopie behelsde in zijn ogen kritiek op het systeem. Een oude Poolse dame, Ilona Duczykska, een revolutionaire en pacifiste die al in de Eerste Wereldoorlog actief was geweest en in de jaren zeventig bij de democratische oppositie in Polen zat, verborg het manuscript in haar handtas en smokkelde het over de grens naar Duitsland. Toen de Hongaarse autoriteiten merkten dat De stedebouwer in Duitsland en in Frankrijk was gepubliceerd, kregen ze opnieuw interesse. Wel wilden ze dat ik enkele passages herschreef, wat ik ook deed. Maar toen het boek in 1977 werd gepubliceerd, was er ook al een samizdat-boekje waarin alle verboden passages waren opgenomen. Op die manier kon de lezer het oorspronkelijke boek weer samenstellen. Sommige lezers gingen zover dat ze de passages uit het samizdat-boekje verknipten en ze in het officiele boek plakten. Dat was heel grappig. Ik denk dat het om een unicum in de Hongaarse boekdrukkunst gaat. In elk geval is het zo dat daarna van mij geen enkel boek meer werd gepubliceerd in Hongarije. Ik moest wachten tot de val van het regime.”
IK KAN ME voorstellen dat het tafereel waarin beschreven wordt hoe de geheime politie mensen in een kelder martelt tot de verboden passages behoorde?
“Dat is een interessante geschiedenis. Gyorgy Kardos, de directeur van de uitgeverij aan wie ik De stedebouwer aanbood, was in de jaren veertig een overtuigde communist geweest, een partizaan. Na de oorlog werd Kardos kolonel bij de Hongaarse militaire contraspionage. Zijn overste was een generaal die ook in het antifascistische leger had gediend, maar die na de oorlog door de stalinisten van antirevolutionaire activiteiten werd verdacht. Die Kardos verklaarde zich toen solidair met de generaal. Op een zekere dag zag Kardos, die recht tegenover de generaal woonde, om vier uur ’s morgens licht op diens kamer. Dat vond hij verdacht. Met getrokken revolver stapte hij naar het huis van de generaal, waar hij verscheidene leden van de Hongaarse geheime dienst aantrof. Ze kwamen de generaal arresteren. Kardos was machteloos.
Niet veel later werd hij zelf aangehouden. De baas van politieke politie zei tegen Gyorgy Kardos dat hij hem een lesje zou leren dat hij nooit zou vergeten. Hij werd vreselijk geslagen en gefolterd. En hij verdween voor vier jaar in de gevangenis. Deze ex-kolonel bleek dus jaren later mijn uitgever te zijn. Toen hij de drukproeven van De stedebouwer terugbezorgde was mijn verbazing niet gering. Hij had de folterscene niet geschrapt, hij had er zelfs enkele details uit eigen ervaring aan toegevoegd. Literair waren ze niet zeer geslaagd, en ik heb de toevoegingen weer weggelaten. Maar zijn handelwijze vond ik menselijk gezien zeer interessant.”
Dat was een vorm van medeplichtigheid tussen de schrijver en de uitgever?
“Zo u wilt. We waren tegelijk tegenstanders, vrienden en medeplichtigen. Ik gaf hem later ook al mijn andere manuscripten te lezen. Hij zei dat hij ze erg waardeerde, maar dat hij niets kon beslissen omdat het politbureau erover ging wat wel en niet gedrukt kon worden. Hij zei me dat ik natuurlijk wel alles in samizdat kon publiceren, maar dat ik dan in de toekomst een Unperson in het Hongaarse publieke leven zou zijn. De situatie was duidelijk. Mijn uitgever en ik stonden op twee verschillende oevers van dezelfde rivier.”
WAREN ER NOG MEER passages die niet door de beugel konden?
“Alle passages waarin mensen met machinegeweren rondliepen of waarin sprake was van geweld. Er komt in De stedebouwer een tafereel voor van een stad die met geweld wordt ingenomen. Kanonslopen staan op weerloze huizen gericht. Het kon om om het even welke stad gaan, maar komisch genoeg dacht iedereen aan de Russische bezetting van Praag in 1968. Het is merkwaardig hoe gevoelig de autoriteiten in dat opzicht zijn.
Ik herinner me dat in de jaren vijftig de Hongaarse radio een uitzending over een zestiende-eeuwse dichter had gepland. Maar de uitzending kon niet doorgaan omdat op een bepaald ogenblik de dichter in een citaat verzuchtte: ’‘Wanneer zal ik in het goede Boeda eindelijk eens een woning hebben?” Dat kon niet, want in die tijd stonden veel mensen op de wachtlijst voor een woning. De verzuchting van de eeuwenoude dichter werd door de autoriteiten geinterpreteerd als een verkapte verwijzing naar de woningnood, wat natuurlijk onzin was.“
Dat was de tijd dat de werkelijkheid werd aangeklaagd omdat ze was zoals ze was. De stalinistische ideologen leden aan wat u noemt ’'realiteitsverlies”?
“Op een of andere manier was dat zo. Maar ook de planologen en de stadsarchitecten projecteerden hun geprefabriceerde beeld van de nieuwe mens op de stadsplanning. Eigenlijk zijn de stadsarchitecten de meesters van het leven, omdat ze als geen ander kunnen bepalen op welke manier de mensen moeten leven en wonen. Zelf was ik bijna in de positie van mijn hoofdpersonage. In die tijd werkte ik als socioloog op het urbanistisch instituut. De architecten en planologen verwachtten van ons, sociologen, dat we hun zouden vertellen wat de behoeften van de mensen waren. We deden intellectualistische denkoefeningen. De architecten hadden de opdracht een kleine stad te ontwerpen. Ik zie ze nog aan de groene tafel staan, waar ze als echte goden in het landschap stonden te schuiven met de witte kubusjes die de huizen voorstelden. Wat een bevrediging moet zo'n opgave niet schenken!
Met De stedebouwer wou ik werkelijk de maatschappelijke structuren vatten. Ik wou niet zomaar een romannetje schrijven over een mevrouw die met een mijnheer kleine of grote avonturen beleeft. Ik wou geen roman met realistische personages. Ik had de literaire ambitie om de stad zelf in mijn hand te houden. Zoals een stadsarchitect dat doet door plannen te maken, zo wou ik hetzelfde bereiken door middel van de literatuur, de ironie en de metafoor. Het was een imaginaire stad die ik wou creeren. In De stedebouwer wou ik ook iets weergeven van de intellectuele tweespalt die ik in mezelf voelde tegenover de macht van de planologen.
Planologen identificeren zich graag met de bureaucratische visie op de wereld. Dat geeft hun de mogelijkheid om in grote maten te denken en het hele leven te rationaliseren, hoewel dat in de praktijk onmogelijk is. Nu is dat geen specifiek Oosteuropees probleem, want ook in West-Europa kun je zien wat de technocratische visie heeft aangericht. In de tweede helft van de eeuw zijn de Duitse steden meer vernield door de planologen dan door de bommen uit de Tweede Wereldoorlog. In Zweden hebben de oude centra moeten wijken voor grote betonnen blokken met veel glas erin. Het waren zogezegd de ’'nieuwe gebouwen” voor de “nieuwe mensen”.
Dat was de verwerkelijking van het nieuwe futurisme van de jaren zestig, een concept waar mensen als Gropius en Le Corbusier achter stonden. Als de Fransen Le Corbusier zijn gang hadden laten gaan, zou Parijs verdwenen zijn onder zijn ville radieuse: enorm hoge gebouwen waaronder het bestaande Parijs als een insect zou zijn verpletterd. De zelfgenoegzaamheid van de intellectuelen die een deel van de bureaucratische macht en van de staatsmacht kregen, was karakteristiek voor die tijd.
In Oost-Europa was het niet anders. In het poststalinistische tijdperk werden intellectuelen en technocraten bondgenoten van de politieke machthebbers. Het was de tijd van de grote projecten: de beddingen van rivieren werden verlegd, enorme kerncentrales werden opgericht, de landbouw raakte helemaal in de greep van de chemie. Samen met mijn vriend Ivan Szeleni begon ik over al die fenomenen na te denken. We kwamen tot de conclusie dat het communisme zich niet alleen met behulp van wapens handhaafde, maar dat het ook steunde op duidelijk herkenbare belangen. We kwamen tot de slotsom dat de intellectuelen daar een grote rol in speelden omdat ze in de jaren zestig invloed hadden gekregen op de staatsmacht en er zo in waren geslaagd om hun grote plannen te realiseren.“
U doelt op de studie ’'De intelligentsia op de weg naar de klassemacht”, die u samen met Szeleni schreef. Dat werk kwam u en Szeleni in 1974 op een paar dagen gevangenis te staan.
“Ja. De aanhouding van Szeleni was een komische aangelegenheid. Op het ogenblik dat de agenten van de geheime politie hem wilden arresteren, zat hij namelijk in de sauna. De agenten namen toen maar naast hem in de sauna plaats, omdat ze te gegeneerd waren om hem daar vast te grijpen. Szeleni zat daar drie kwartier samen met die heren te puffen en te zweten. Pas bij het naar buiten gaan konden ze Szeleni arresteren. Ze waren een beetje boos omdat hij hen zo lang had laten sudderen. Samen met Szeleni werd ik beschuldigd van opruiende activiteiten, maar al na een week werden we weer vrijgelaten.”
IN “DE STEDEBOUWER” krijgen we het beeld van een stad die tegelijk zeer taai en zeer kwetsbaar is…
“Maar zo is het ook. Ik ken het Hongaarse provinciestadje Pecs vrij goed. Op het marktplein tref je een Turkse moskee aan. Maar onder die moskee bevindt zich een kelder uit het Romeinse tijdperk. Vergeleken met de lange biografie van de Westeuropese en Centraaleuropese steden zijn de politieke systemen slechts korte episoden. Zeker, de steden zijn kwetsbaar, want zodra je de architectonische vernieuwers voldoende middelen geeft, gooien ze zelfs de mooiste oude gebouwen tegen de vlakte en vernietigen ze de oude wijken die nog gesaneerd zouden kunnen worden. Maar de steden zijn ook taai. Er zijn omstandigheden waarin de de legale autoriteit in een stad zodanig wordt ondermijnd dat warlords, kleine gangsters, met wapengekletter hun wil kunnen opleggen. Wie een geweer heeft, is dan nog machtiger dan een architect. Maar om het even wat er gebeurt - pest, oorlog, dood, vernietiging, aardbevingen - de genius loci van de stad blijft bestaan. Ze beschikt over een haast irrationele energie. Waarom zouden de mensen anders op dezelfde plek weer hun marktplein en hun kerk opbouwen? De ziel van een stad is niet kapot te krijgen.”
Het komt erop neer dat u de planologen ervan beschuldigt dat ze door hun activiteiten een aanslag plegen op de levenslust zelf.
“Ja, al denk ik niet dat het boos opzet is. In een stad zijn er twee vitale structurele elementen: de straat en het plein. Het plein heeft een agora-functie, want het is de plek waar de mensen samenkomen. Op straat moet er iets te zien zijn. Een stad zonder cafes, zonder terrassen en zonder winkels met etalages is niet goed denkbaar. De mensen moeten zich er kunnen amuseren, ze moeten ergens naar binnen kunnen kijken, anderen observeren en in de vensters naar zichzelf kunnen kijken, want we zijn en blijven toch nieuwsgierige apen. En ook de mensen behoren tot de categorie van de bezienswaardigheden. Dat is allemaal heel stimulerend. In een stad moet je de lichamelijke nabijheid van de mensen kunnen voelen, er moet een levende cultuur heersen.
Je zou kunnen opwerpen: het dorp is toch aangenamer dan de stad? Maar dat klopt niet altijd. We hebben rust en we hebben stress nodig. We moeten een bad in de menigte kunnen nemen en we moeten in de tuin van de rust kunnen genieten. Het is een pendelbeweging die hetzelfde ritme heeft als slapen en waken. Ik verwijt de stadsarchitecten en planologen dat ze die ambivalentie niet in hun werk hebben vertaald. Ze hebben geen gevoel gehad voor de tweespalt in de mens en ze hebben geen oog voor de uiteenlopende sociale en psychologische behoeften van de mens.
In de jaren zestig waren de ideeen daarover gepolariseerd. Overal in de wereld heerste het monofunctionele in de stedebouw, omdat ervan werd uitgegaan dat de mens een monofunctioneel wezen was. Daarom werd de woonwijk gescheiden van de werkwijk en kon je in het winkelcentrum alleen maar inkopen doen. Elke plaats had slechts een functie. Dat is trouwens nu nog altijd zo, al wordt er af en toe wel eens tegen gerebelleerd.”
ZELF BENT U in de literatuur ook een vijand van het monofunctionele en een voorstander van de veelvuldigheid van de perspectieven in het verhaal.
“Een roman die maar een visie geeft, vind ik niet interessant. Voor mij is de roman een vorm van dialoog. Die dialoog moet ook kunnen plaatsvinden binnen een verteller, in wie twijfels bestaan en in wie visies strijden. Misschien is het goed dat elke zin een provocerende vraag is waarop in de volgende zin een antwoord komt. Dat verklaart inderdaad ook de stijl en de taal van De stedebouwer. Het is een waterval van beelden en metaforen. Eigenlijk is deze roman een beetje een experiment. Ik wou nagaan wat je met woorden kunt doen. In taalkundige zin gesproken is dit mijn meest romantische roman.”
De veelzijdigheid van de stad is misschien een metafoor voor de manier waarop u als schrijver denkt en werkt?
“Dat is een eigenschap die je ook bij andere mensen aantreft. Je kunt je hersenen vergelijken met een huis waarin veel kamers zijn, en het is je eigen keuze of je die kamers gaat exploreren of niet. Ik bestrijd niet dat er mensen zijn die al heel hun leven in dezelfde kamer wonen en geen moeite doen om een blik in de andere kamers te werpen. Een schrijver is iemand die nog nieuwsgieriger is dan de anderen en die alle kamers wil zien.”
Hij is iemand die alles wil ruiken, voelen en betasten?
“Ja, net als een baby. Ik betreur het dat wij zo doelgericht zijn opgevoed. We stappen altijd direct op ons doel af. Maar daardoor zijn er veel zaken die ons ontgaan. Een kind doet dat niet. Als een peuter met zijn ouders gaat wandelen, blijft hij overal bij stilstaan, wil alles zien en betasten en neemt nooit de kortste weg, maar klimt op alle oneffenheden en laat zich geen bordes ontgaan. Maar je ziet dat de ouders voortdurend ongeduldig zijn en hun kind tot de orde roepen, want het gaat hun niet snel genoeg. Dat nutteloze flaneren is nu juist karakteristiek voor het associerende werk dat in een roman of een verhaal gedaan wordt. Juist daarin onderscheidt een roman zich ook van een wetenschappelijke verhandeling.”
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat “De stedebouwer” ook een kritiek op het monotheisme is.
“Je mag niet vergeten dat de Griekse cultuur onder Plato reeds tot een deistisch monotheisme was gekomen. De Griekse mythologie met haar vele goden was een sprookje geworden en was niet meer in staat de transcendentale energie van de mensen te absorberen. In die zin is het monotheisme toch ergens wijzer, ik zou zeggen taoistischer, dan het polytheisme. Ikzelf houd wel van een animistisch perspectief. Een fiets kun je associeren met alle mensen die hem gemaakt en met alle mensen die erop gereden hebben. Het oproepen van voorwerpen waarvan zo'n grote associerende kracht uitgaat is misschien een nieuwe, artistieke vorm van religiositeit.