Ricardo Reis (Fernando Pessoa), Oden

Ode aan dokter Ricardo Reis

Ricardo Reis (Fernando Pessoa) Oden

vertaald uit het Portugees door August Willemsen

Uitg. De Arbeiderspers

473 blz., € 32,95

Er is maar één dichter

En hij is er één van.

Geboorteplaats, -datum, huidskleur,

Schoenmaat, sterrenbeeld, beroep,

Huidige woon- en verblijfplaats

Bekend, maar irrelevant,

Net als zijn leven,

Net als zijn leven.

Om met globaal zeevaarder-maritiem filosoof kapitein Iglo te spreken:

Leven is niet noodzakelijk.

Varen wel.

Vraag niet: wie is de dichter of

Wie dicht er?

Maar: wat dicht er?

De getrainde vogelaar vraagt immers ook niet:

Wie vliegt daar

Maar: wat vliegt daar?

Er is dus eigenlijk maar één dichter

Die spreekt door alle dichters

Zoals iedereen spreekt door de dichters

En hij is er één van.

Hij is geboren in Porto, Portugal, op 19 september 1887, om vijf over vier,

En nog eens op 20 januari 1914, om een uur of elf ’s avonds,

Uit het hoofd van zijn schepper,

Meteen al volwassen, jezuïtisch geschoold, dus goed,

In de zin van gedisciplineerd en gedegen

En dus voorbestemd tot heidendom en afkeer van zwartrokken,

Vaag matbruin van huidskleur,

Schoenmaat schuit, sterrenbeeld maagd, lievelingsdrank veel,

Beroep dokter, balling te Brazilië.

Hij is een ladder, een vluchtweg, een mogelijkheid

Voor een man genaamd Persoon,

Een dichter genaamd Persoon,

Dat is vragen om moeilijkheden,

Daar komen brokken van,

Maar in zijn vrije tijd is hij

Handelscorrespondent te Lissabon

En maakt hij een reclameslogan voor Coca Cola

Die ervoor zorgt dat alle cola in heel Portugal

Uit de handel moet worden genomen:

Eerst ben je verrast, dan ben je verslaafd.

Hij rookt niet voor niets 80 sigaretten per dag

En drinkt als een hele sponzenwinkel,

Maar geen cola.

Hij heeft vier bovenkamers,

Met gebarsten denkramen met rafelige rookgordijnen,

De muren zijn gemaakt van schrijversblokken

En elke kamer is voorzien van de elementen van het moderne huishouden:

Gas en licht, stromend water en kabelaansluiting

Op de dichtader

Van die ene dichter waarvan hij er vier is,

Die ene dichter bekend van de uitspraken:

Ik is een ander,

Ik ben een menigte,

Ik ben hem en jij bent hem en jij bent mij en wij zijn iedereen,

In ons leven tallozen,

Die daar dat ben jij,

Ze nemen me maar zoals ik niet ben,

Als je geen reisgenoten hebt, dan maak je ze maar.

De heer Persoon maakte van elke aandrift, van elke aanvechting

In zijn dichtader een personage

Of, om het netjes te zeggen, een antropomorfe depersonalisatie van zijn autopsychografie.

Elke aanvechting een dichter

En elke dichter een stijlfiguur

En elke stijl een persoonsoefening.

De heer Persoon vertakte zich in meer persoonlijkheden,

Die zich bezighielden met lagere ambachten als proza en filosofie,

Maar in de poëzie bleef de meter stilstaan op vier,

En misschien zijn er ook maar vier aandriften te onderscheiden,

Voor elk seizoen één:

Wit en simpel als watten,

Zwart als Kestelootviskuit van de Albert Heijn,

Hard als het verhoornde haar van de neushoorn,

Zacht als zo’n ding met veertjes, oftewel

De bucolisch-naïeve, op vrije versvoeten,

De futuristisch-sensationistische, ook op vrije versvoeten,

De neohellenistisch-stoïcijnse, van vormvast steen,

De lyrisch-complexe, opgetrokken uit vormvast gepeins.

Inderdaad: dit kwartet is een chiasme,

De ruggengraat van een eenheid van tegendelen,

Bestaande uit kruislingse impulsen,

Zoals de autopsychograaf zelf het zelf van zijn eigen noemt,

Onder de vergaarbak die voor zijn eigen naam doorgaat.

Eén van die impulsen, één zo’n tegenstrijdigheid

Is ook de onderhavige dokter-dichter van de oden.

Begonnen als grap door zijn uiterst serieuze schepper,

Wie een «gecompliceerd soort bucolisch dichter» voor ogen zweefde,

Dat wil dus zeggen een getroubleerd soort quantumfysicus

Die zich het hoofd breekt over de brownbewegende koeien in de wei,

Werd het een anachronisme,

Een Epicurus op de Eiffelbrug over de Douro.

Hij is de coolste van de vier.

De stad staat in brand.

De lijken stapelen zich op als fietswrakken

Op de baggerschuit van de gemeentereiniging,

Achter je rug wordt je vrouw verkracht

Door een bende hongerige al-Qaeda-piraten van de planeet Zork

En je kind in stukken gesneden

Door een tijdelijk minder toerekeningsvatbare SS’er van de planeet WO II,

Maar je bent aan het schaken met de slagersknecht van de overkant

En je gaat gewoon door alsof er niets aan de hand is

Want er is ook niets aan de hand:

Roem, glorie, liefde,

Leven, kennis, meer is het niet waard

Dan enkel de gedachte

Aan een goed gespeelde schaakpartij

Die wij hebben gewonnen

Van een beter speler.

Dat soort onverstoorbaarheid

Die we kennen van de stoïcijnen en de epicuristen.

Het leven is immers niets.

Een toevallige samenklontering van atomen.

Laten we dus leven

Voor de sublieme momenten daartussen,

Laten we elkaar met rust laten, mijn kind,

Denkt hij, gezeten in een bootje op de rivier van de tijd,

Met een metrisch verantwoorde deerne,

Lydia, Cloë of Neaera geheten.

Hij wil haar hand niet vasthouden,

Hij houdt de zijne in het water.

Een rimpeling bereikt de oever

En verdwijnt daarmee.

Het is niets.

Hij is niets,

Wat u bent, geweest bent en zal zijn.

De dood is de kern,

Verhuld in een dunne danwel dikke huid.

Berusting van de hartstochtelijke, agressieve soort,

Een stuwdam van bestudeerde berusting en pseudo-onverschilligheid.

Als alles niets is,

Heb je ook geen verdriet.

Deze afstand, deze afstandelijkheid,

Deze koele wind van de hoogste bergtoppen,

Is voor de dokterdichter ook een kwestie van artistieke hygiëne:

Het gaat hier niet om gebrek aan emotie

Maar juist om een overvloed van dat spul

En hoe die te beheersen

Want zelfs met onzichtbare inkt

Schrijf je beter dan met bloed of met tranen.

Bloed is voor de gekken en de suïcidalen,

Tranen voor de snotteraars en de sentimentelen,

Zweet voor de harde werkers

En alcohol voor iedereen!

De dichter maakt het niet uit met welke inkt hij schrijft.

Het kan ook met lucht. Of met vuur.

Uiteindelijk is er maar één dichter,

En daar reken ik ook de vertaler bij

Van dit nu volgende prachtgedicht, de eerste ode,

Waar alles in staat

En dat is niet niks.

We nemen

Afstand van het leven

En niet van het lezen

Maar juist door te lezen.

Meester, hoe vredig zijn

De uren alle

Die wij verliezen,

Wanneer in ’t verlies

Als in een vaas wij bloemen zetten.

Er zijn geen smarten

Noch ook vreugden

In ons leven.

Laat ons derhalve,

Naïeve wijzen,

Het niet leven

Maar doorlopen,

Rustig, vredig,

Met kinderen

Als onze meesters,

En de ogen

Vol natuur…

Langs de rivier

Of langs de weg,

Al naar het schikt,

Steeds in hetzelfde

Licht verpozen

Van moeten leven.

De tijd verstrijkt

En zegt ons niets.

Wij worden oud.

Laat ons, arglistig

Haast, onszelf

Voelen verstrijken.

’t Is niet de moeite

Te gebaren.

Niemand weerstaat

De wrede god

Die ’t eigen kroost

Altoos verslindt.

Plukken wij bloemen.

Maken wij vlug

De handen nat

In kalme stromen

Om daarvan

Kalmte te leren.

Als zonnebloemen,

De zon steeds ziende,

Gaan wij rustig

Uit het leven,

Zonder spijt

Geleefd te hebben.