Ode aan het onaffe

Op het eerste gezicht is De schimmen van de Argentijn César Aira een omgekeerde gothic novel. Het spookt, en dan niet in een oud kasteel maar in het tegendeel daarvan: een luxe appartementencomplex in aanbouw.

Medium c sar aira de schimmen

De spoken (of ‘schimmen’ zoals Los fantasmas in het Nederlands zijn gaan heten) verschijnen niet ’s nachts maar juist overdag. Niet ’s winters op een afgelegen landgoed, maar in de verzengende hitte van de metropool Buenos Aires.

Nog een verschil: ze jagen de mensen geen angst aan, maar worden op een terloopse manier geaccepteerd en geïntroduceerd in het verhaal over het gezin van Raul Viñas, die tijdelijk in het onvoltooide gebouw is getrokken om het te bewaken.

Naakte mannen zijn het, bedekt met een laagje kalk. ‘Een metselaar die met een emmer puin toevallig langskwam op weg naar de afvalcontainer strekte zonder stil te staan zijn vrije hand uit en pakte de penis van een van hen vast en trok eraan terwijl hij bleef doorlopen. Het lid rekte twee, drie, vier, vijf meter uit tot aan het trottoir. Toen het werd losgelaten, schoot het terug met het geluid waarvan de boventonen bleven nagalmen tussen de kale muren.’

Het bovennatuurlijke is een vanzelfsprekende aanwezigheid, iets waar je zonder er veel aandacht aan te besteden geintjes mee uithaalt. Althans, zo begint het.

Op het tweede gezicht is De schimmen een grillig boek. Modern realisme, van bouwplaatsen, supermarkten en andere grootsteedse decors mengt met absurde en surreële elementen. En hoewel er op verhaalniveau vrij weinig gebeurt, wisselen stemmen en registers zich wel razendsnel af. Van beelden van de bouwplaats glijden we moeiteloos naar essays over de verschillende sociale lagen in Argentinië, naar antropologische theorieën over Aboriginals, naar de literatuuropvattingen van James Joyce…

Ongetwijfeld hangt die veelstemmigheid samen met het improviserende schrijfproces, zoals César Aira dat in interviews beschrijft. Elke dag gaat hij naar een café, schrijft één pagina, en dan zit het werk voor die dag erop. Hij heeft amper een idee vooraf, geen overkoepelend plan, redigeert nauwelijks na afloop. Geen man van schema’s op behangrollen kortom.

En zo schreef hij zo’n zeventig boeken, sommige niet meer dan tien, twintig pagina’s, andere, zoals De schimmen, rond de honderd pagina’s. Toch wil hij dat elk verhaal een eigen boek wordt, autonoom is, en niet in een bundel hoeft te verschijnen. In Argentinië is hij hiervoor aangewezen op kleinere uitgevers die dat avontuur aandurven met kleine oplagen. Als lezers mijn boeken willen vinden, dan moeten ze er maar moeite voor doen, aldus Aira’s bijna provocerend on-commerciële opvatting.

Een handjevol boeken is in het Engels vertaald. De schimmen (1990) verscheen in 2009 in het Engels, en is dit jaar het eerste boek dat van Aira in het Nederlands verschijnt.

Aira’s improviserende schrijfmethode zorgt voor een verrassend meanderende, onvoorspelbare stroom, maar heeft als nadeel dat het allemaal onaf oogt. Ongetwijfeld is dat nu precies waar de schrijver op uit is, blijkens de lange beschouwingen die hij wijdt aan onvoltooide constructies, en de rol hiervan in architectuur en in de romankunst. Zo laat deze roman zich lezen als een ode aan het onaffe.

Die grillige vorm intrigeert, maar zorgt in dit geval ook voor wat onevenwichtigheid. Het boek staat op z’n zachtst gezegd niet helemaal waterpas. Pas halverwege komen de gebeurtenissen namelijk eindelijk een beetje op gang, en zien we die door één personage, het tienermeisje Patri. Pas op driekwart van het boek dient haar centrale dilemma – en daarmee de belangrijkste vraag van deze roman – zich aan: welke prijs ben je bereid te betalen om mee te doen met één waanzinnig feest?

De schimmen, met wie alleen zij blijkt te kunnen praten, zijn namelijk op weg naar een feest, en Patri’s besluit is meteen genomen: ‘Het was of zij voor het eerst mannen zag. Stop! schreeuwde ze. Ga niet weg, nooit! Ze wilde ze voor eeuwig zo blijven zien. (…) Natuurlijk moet je wel dood zijn, zei een van de schimmen. Dat maakt niet uit, antwoordde ze onmiddellijk vol hartstocht.’

Zeker in zo’n klein boek is dat wat mij betreft te laat, te plotseling. Ineens springt Patri van het dak af, zonder dat we deelgenoot zijn geworden van haar afwegingen. Wat is het voor feest, dat die schimmen organiseren? Als het meisje bereid is haar leven ervoor te geven, geef dan op z’n minst een glimp van wat er zo onweerstaanbaar aan is. Zo blijft er meer onuitgewerkt.

Als ik deze 99 pagina’s bij mijn uitgever zou inleveren, zou hij zeggen: ‘Geweldige eerste versie. Daar gaan we een fantastisch boek van maken.’ Patri’s drama had een verhaal kunnen zijn met universele geldigheid die klassieke romans tot klassieke romans maakt: verhalen die door verschillende tijden heen bij lezers steeds weer geactualiseerd, nieuw en levend raken, los van hun toevallige lokale context en ontstaansperiode.

Op het derde gezicht is De schimmen een raar boek. Het is een vreemde, buitenissige, overkolkende stroom waar je je weliswaar geboeid en met plezier door laat meevoeren, maar die abrupt eindigt op het moment dat je pas echt op gang komt, waarvan je achteraf elke logica of zin ontgaat. Daar moet je van houden.

César Aira, De schimmen. Vertaald door Arie Boons. Meulenhoff, 99 blz., € 17,95