Profiel: Woody Allen

Oedipus op sokken

Als Woody Allen zelf een rol speelt in een van zijn films is dat steevast die van een hypernerveus en tamelijk schutterig personage: een kleine joodse man met een kaal hoofd, die wekelijks bij zijn psychiater op de divan ligt om over zijn catastrofale liefdesleven te klagen. En over zijn moeder natuurlijk, want daar komt het allemaal door.

In Oedipus Rex, Allens bijdrage aan het drieluik New York Stories (1989), is die moeder zelfs zo dwingend aanwezig dat ze haar zoon ook na haar dood nog steeds overlaadt met verwijten. Terwijl hij op de bank ligt bij zijn shrink en zich afvraagt of het een kwestie van beginnende paranoia is dat hij zich voortdurend bespied voelt, verschijnt het hoofd van zijn moeder voor de panoramaruit in de spreekkamer, als een reusachtige zeppelin die hoog boven Manhattan zweeft, en bestookt hem met het soort raadgevingen waar ze bij leven en welzijn ook al patent op had. Waarom gaat hij niet eens uit met dat degelijke joodse meisje van de familie Zussemezo bijvoorbeeld, in plaats van met de blonde dellen waar hij doorgaans op valt? En is hij wel warm genoeg gekleed, waarom draagt hij geen das: moet hij soms weer verkouden worden? En eet hij eigenlijk wel genoeg?

Er is geen ontkomen aan, want als hij in paniek het gebouw uit vlucht, volgt het reuzenhoofd hem als een alomtegenwoordige donderwolk, terwijl haar overbezorgde vragen door de straten schallen en verkeersopstoppingen veroorzaken, omdat de ganse stad met open mond naar boven staat te kijken.

Het probleem van dit moederszoontje is duidelijk en zijn vernedering is totaal: mamma schept er kennelijk behagen in om hem te ontmaskeren als een watje, ten overstaan van de hele wereld, en zijn beschaamde mannelijkheid spat uit elkaar als een zeepbel.

Dat zijn relaties met vrouwen enigszins getroebleerd zijn, hoeft dus geen verbazing te wekken: wij begrijpen meteen waarom de hoofdpersoon zich aan de divan van de psychiater vastklampt als een drenkeling aan een vlot. Maar wat de behandelaar terugzegt, krijgen we zelden te horen: Woody Allen heeft een voorkeur voor het klassieke type analyticus dat luistert, hooguit kucht, en vooral veelbetekenend zwijgt.

Soms krijg je de indruk dat de psychiaters in zijn films slapend rijk worden, letterlijk, omdat zijn klacht zo stereotiep is dat ze moeite hebben om hun ogen open te houden. De therapeutische sessie lijkt dan even leeg en ritualistisch als het ontspoorde baltsgedrag van de patiënt: het is een nabootsing van contact, maar er vonkt niets.

Toch moet Woody Allen wel degelijk iets van zijn behandeling hebben opgestoken, althans in het echte leven, want in zijn laatste film — The Curse of the Jade Scorpion — voert hij een verzekeringsagent ten tonele die zo is weggelopen uit een psychoanalytisch leerboek over sadomasochisme en perversiteit. Al oogt de film op het eerste gezicht als een doodgewone comedy: een onschuldige persiflage op het jaren-veertiggenre van de «hardboiled private eye», in de traditie van detectiveschrijvers als Raymond Chandler en Dashiel Hammett.

Het plotje is dan ook even simpel als melig.

Een door de wol geverfde rechercheur van een verzekeringsmaatschappij wordt tijdens een personeelsfeestje onder hypnose gebracht, samen met een gehate vrouwelijke collega die zijn afdeling aan het moderniseren is, en terwijl ze allebei in trance raken, krijgen ze de suggestie dat ze eigenlijk dolverliefd op elkaar zijn. Daar moet de rest van het gezelschap om schuddebuiken, maar de hypnotiseur (een duistere oosterling met tulband) blijkt nog een andere en geheime agenda te hebben. Toen hij een schorpioentje van jade voor hun neus liet bengelen, als hypnotisch instrument, heeft hij ze een wachtwoord gegeven en als hij dat uitspreekt kan hij ze — later — alles opdragen wat hij wil. Juwelendiefstallen plegen bijvoorbeeld, zodat beveiligingsexpert Briggs in feite bezig is zichzelf te betrappen als hij op zoek gaat naar de dader. De verwikkelingen die dat met zich meebrengt zijn al even voorspelbaar als de ontknoping, zodat de film het vooral moet hebben van de dolgedraaide clichés. De «shamus» (Allen) draagt uiteraard een vale trenchcoat en een slappe vilthoed, drinkt whisky als water, verleidt de schatrijke maar stapelgestoorde blondine (zijns ondanks overigens) en grossiert in Chandler-wisecracks — als de macho meesterspeurder die hij nu juist níet is. Want brekebeen Allen is en blijft het moederskindje dat als de dood is voor sterke vrouwen, daar onelinert hij zich niet uit, met of zonder trenchcoat, zodat zijn verliefdheid op die bazige en zogenaamd «gehate» collega alleen kans van slagen lijkt te hebben als zij opnieuw in trance zou raken. Wat uiteraard ook gebeurt, dus eind goed, al goed. De illusie blijft in stand en ze leven nog lang en ongelukkig.

Of niet?

In de recente psychoanalytische studie van Iki Freud — Mannen en moeders — kun je nalezen wat Woody Allen tussen de regels door vertelt over het perverse scenario dat hier wordt opgevoerd, en hij doet dat heel losjes, maar tegelijkertijd ook zo griezelig nauwkeurig dat het bijna niet anders kan of hij is zich bewust van de «theorie» die eraan ten grondslag ligt.

Iki Freud heeft een correctie en een aanvulling willen geven op het werk van haar naamgenoot, Sigmund Freud, en concentreert zich op de (niet zelden ziekmakende) invloed van de moeder op de ontwikkeling van haar zoon.

Haar fictieve kleine Oedipus komt namelijk niet eens toe aan het rivaliseren met de vader, als hij een jaar of zes is, omdat sommige moeders al lang voor die tijd volledig beslag hebben gelegd op hun kind en hun eigen narcistische behoeften op het jongetje projecteren. Zodoende ontstaat een ongezonde en irreële band, een parasitaire verhouding die gebaseerd is op wederzijdse afhankelijkheid: de zogenaamde «symbiose».

Essentieel voor zo’n pathologische ontwikkeling is dat de moeder haar liefde verbindt aan één tirannieke, allesoverheersende voorwaarde, namelijk dat het kind in alles op haar zal lijken en geen enkele poging waagt om onderscheid te maken tussen zijn wensen en de hare, zodat hun identiteiten als het ware met elkaar «versmelten». Beter gezegd: het kind krijgt niet eens de kans om een eigen identiteit te ontwikkelen, en als dat kind een jongetje is, loopt ook zijn seksuele identiteit gevaar. Zolang er tenminste geen krachtige, bij de opvoeding betrokken vader is die tussenbeide komt en de jongen duidelijk maakt dat hij een man moet (en vooral: mag!) worden.

«Het handhaven van de wederzijdse afhankelijkheid door moeder en zoon is tegelijk bevredigend en beangstigend voor de laatste», schrijft Iki Freud. «Om haar zelfgevoel te beschermen, is de moeder geneigd een valse idylle met haar kind te creëren, zodat het haar narcisme kan ondersteunen. Zodra de moeder emotioneel afhankelijk van het kind wordt, is het voor beiden noodzakelijk deze illusie te handhaven, aangezien er zonder illusie gevaar zou zijn voor haar geestelijke instorting. Ambivalentie en haat moeten op afstand worden gehouden om niet te bedreigend te zijn.»

De manier waarop dat vervolgens gebeurt, ook op latere leeftijd en met andere vrouwen dan de moeder, geeft een heel scala van «perverse» afweermechanismen te zien.

Al te veel intimiteit met een vrouw is bedreigend voor een man met zo’n achtergrond, want de ervaring heeft hem geleerd dat hij dan met huid en haar wordt opgeslokt en van zijn mannelijkheid beroofd. Hij kan dus alleen met een vrouw naar bed als hij haar emotioneel op afstand kan houden, als hij macht over haar heeft, en om dat te bereiken worden er voortdurend «spelletjes» gespeeld. Aantrekken en afstoten bijvoorbeeld, beurtelings verleiden en vernederen. Alles wat de ander waardevol maakt en de partner heilig is, moet «ontheiligd» worden. En als de angst maar hevig genoeg is, worden er scripts voor het seksuele verkeer ontworpen: een reeks vaste rituelen die dwangmatig worden opgelegd en afgewerkt.

Marcel Proust is wat dat betreft een rijke bron voor Iki Freud, veel meer dan Sigmund Freud, want zijn A la recherche du temps perdu is te lezen als een complete en briljant verwoorde inventaris van alles wat het mannelijk brein heeft kunnen bedenken om zich zonder gevaar voor eigen leven in de buurt van zo’n verslindende verleidster te begeven.

De fetisj als geërotiseerd substituut voor de hele persoon; een angstige en vrouwvijandige vorm van homoseksualiteit; de fantasie dat de vrouw in de relatie lesbisch is en in wezen een fallische «man», meer man althans dan hijzelf; sadistisch getreiter; masochistische en van rancune doordrenkte pogingen tot emotionele en morele chantage; anale penetratie; met wellust gecultiveerde jaloezie, en voorgewende onverschilligheid — om maar een paar wapens uit dit belangwekkende arsenaal te noemen.

Maar natuurlijk ook romantisering en idealisering, want als de «slechte» vrouw en moeder eventjes bedwongen is, vernederd en tijdelijk onschadelijk gemaakt, zodat ze weer begint te lijken op de afgesplitste «goede» moeder, haar alter ego, steekt het verlangen naar haar opnieuw de kop op en kan het hele misleidende spel van voren af aan beginnen.

Als je met dit begrippenapparaat in je achterhoofd nog eens wat aandachtiger naar The Curse of the Jade Scorpion kijkt, zie je ineens waar die film werkelijk over gaat. Of misschien moet ik zeggen: waar hij óók over gaat. Want Allen heeft niet zoveel met Chandler en Hammett, als min of meer realistische chroniqueurs van misdaad in de grote stad, maar met hun archetypische «echt mannelijke mannen» heeft hij des te meer. Al die stoere attributen — de heupfles whisky, de gladde praatjes, de harde vuisten, de revolver in de broekriem, de brute seks — moeten hem beurtelings aan het schateren hebben gemaakt en met afgunst hebben vervuld.

Zo’n man te zijn, zo’n man die er geen seconde aan twijfelt dat hij een «man» is!

Of, zoals Chandler schrijft: «Down these mean streets a man must go who is not himself mean.»

Voor een zenuwachtig juffershondje als Woody Allen, die nog geen stap buiten de deur kan zetten of uit de wolken duikt het gezicht van zijn moeder op, die de straat veel te gevaarlijk vindt voor haar oogappeltje, en hem het liefst zou opsluiten in haar goed voorziene keuken, allemaal voor zijn bestwil uiteraard — voor zo’n held op sokken moet Philip Marlowe wel de ultieme uitdaging hebben gevormd. En hij is hem vervolgens te lijf gegaan met psychologisch inzicht en ironie.

Zijn tegenspeelster in deze tragikomedie is dan ook Helen Hunt: intelligent, energiek, zelfverzekerd, en een kop groter dan hij. Tussen die twee wordt het spel gespeeld en daarbij komen alle sentimenten en strategieën aan bod die Iki Freud op een rijtje heeft gezet.

Hunts personage is veruit de «mannelijkste» van de twee, om maar iets te noemen, en ze heeft weinig tijd nodig om te begrijpen dat hij haar bedreigend vindt, maar dat kan haar volstrekt niet schelen. Totdat verzekeringsagent Briggs ernstig in de problemen raakt, noodgedwongen een beroep op haar doet, en zij haar «vrouwelijke» (lees: moederlijke) kanten ontdekt: ondanks de verbale strijd, waarin ze elkaar onophoudelijk kleineren en hun ware gevoelens ontkennen, leert zij dat ze ook «zacht» kan zijn, terwijl hij zowaar wat echte «moed» weet te vatten.

Zijn ze dus genezen van hun bluf, hun angst voor intimiteit, hun neurotische afweer?

Woody Allen laat dat kunstig in het midden.

Hun toenadering wordt mogelijk in een sfeer die buiten de realiteit staat, onder hypnose, geheel conform het script van de geperverteerde gevoelens, die alleen als illusie tijdelijk aan de oppervlakte kunnen komen: als spel, als goocheltruc. Een valse idylle, kortom, die berust op een even ziekelijke als «irreële» band, door wederzijdse afhankelijkheid geschapen, zoals Iki Freud zou zeggen. Een «textbook case».

Maar juist als verzekeringsagent Briggs ook tot die conclusie komt en weemoedig vaststelt dat alle liefde nu eenmaal op een luchtspiegeling berust — waar hij zich overigens best bij wil neerleggen — verklapt een collega dat zijn geliefde de avond daarvoor wel degelijk «gedeprogrammeerd» is en het dus echt meent als ze zegt dat ze van hem houdt!

Arm in arm schuifelen ze dan de gang uit, op weg naar de lift en de huwelijksreis, nog wat stijfjes en onwennig, maar met een begin van ongelovig optimisme.

Het is een wonderlijke slotscène, en een die elk happy end doet verbleken.