Oefenen

Wat vooraf ging.

Ik haat het om iets niet te kunnen. Preciezer: ik haat het om ergens niet de beste in te zijn. Zaak is het dus continu slim te manoeuvreren, situaties te vermijden. Leersituaties met name. De meeste dingen die ik kan heb ik mezelf geleerd, om iedere vernedering voor te zijn. Lezen, schrijven, typen. Ze vormen het graniet onder mijn bestaan, en ik kon het voor mijn officiële leerplicht inging.

O! hoor ik u denken. Jij was zó’n kind.

Nee, zo’n kind was ik dus niet. Ik kon ook nog ’s het hardst rennen, het hoogst springen, alles. En ik was rázend populair. Ik kan wel zeggen dat ik de baas was. Tot een ander persoon me in dreigde te halen, en ik me genoodzaakt zag langzaam terugtrekkende bewegingen te maken. Ik was zes.

Fase twee trad in: het koel spelen. Daar bevind ik me nog steeds, al denk ik wel eens dat het laagje tussen mij en de buitenwereld almaar dunner wordt in plaats van dikker. Van de week had ik me geposteerd achter wat geboomte, me schuil houdend voor mijn mederenners in het hardloopklasje. Inderdaad, een leeromgeving waarin ik me contre coeur had begeven. O onuitroeibare hoogmoed.

De situatie. We moesten twee rondes rennen, en ik, geboren om te heersen, raakte al bij de eerste ernstig achterop. De rest van het klasje stond al lang weer bij het beginpunt, met kennelijk genoeg adem om gewoon weer door te kouten. Ik was nog aan het begin van ronde 2 en greep de bosschages aan om even tot mezelf te komen, overwegend of ik zou overgeven. Volgende kwestie: hoe mijn rentree te maken, mijn mederenners onder ogen te komen? Opeens wist ik weer waarom humor was uitgevonden. Falen – op welk vlak dan ook – keihard compenseren. Volgens comédienne Sally Phillips is wat het grappigst aan je is ook meteen het belachelijkst. Maar was ik rijp om deze wijsheid in praktijk te brengen, met een knalrood zwetend hoofd, een overduidelijk te hard kloppend hart?

‘Maar hou ik de groep niet op?’ vroeg ik. Ik hè.

Sowieso. Humor en sport. I don’t know man. Humor en seks, en dat in het kwadraat.

Aan het eind van de les hoorde ik mezelf aan de juf vragen of ik wel in deze groep paste.

‘Het is aan jou’, zei ze. ‘Jij moet het niet erg vinden.’
‘Maar hou ik de groep niet op?’ vroeg ik. Ik hè. ‘Vinden de anderen het niet erg?’
‘Niemand vindt het erg’, zei ze, met een stelligheid alsof ze het al over me hadden gehad. Al zal het gewoon wel dit zijn: iedereen vindt het heerlijk als iemand slechter is. Maar wil ik die iemand zijn? Kan ik, du sollst denn du kannst tussen de schouderbladen getatoeëerd, die iemand zijn?

Teruglopend naar huis, rechte rug tegen de klippen op, dacht ik aan de keer dat ik was uitgenodigd voor een forumdiscussie over de nieuwe mens. Toen ik er daags tevoren achterkwam wie mijn medesprekers waren, een bio- en een technoloog, bleef ik op om nog wat aan zelfstudie te doen. Tot degene die me langer kent dan vandaag in pyjama naar beneden kwam om te informeren wat ik aan het doen was. Hij klapte nog net niet mijn laptop dicht. ‘Waarom denk jij dat je hiervoor bent uitgenodigd?’ sprak hij.

Suizebollend van de algoritmes en quantummechanicadeeltjes keek ik hem aan.

‘Omdat je er geen bal van afweet. Jij mag de kaart van de onwetende trekken.’

Eigenlijk zei hij onwetende vrouw.

‘Maar ik wil die kaart niet trekken!’
‘Misschien helpt het als je op een stoel gaat staan’, zei hij. ‘En dat heel luid kenbaar maakt.’

Het schijnt dat de wereld niet vooruitgaat door volledig tot wasdom te komen, maar door permanent in een staat van adolescentie te verkeren. Van fanatiek verkennen. Zoiets moet het zijn. Mijn hardloopklasje kent me nog niet. Weet niet dat ik me op een constant verbetertraject bevind. Ik zet m’n sportschoenen klaar, de wekker op extra vroeg. De wereld zal nog verbaasd staan.