Gijs Wilbrink voert de Achterhoekers op als een soort mystiek natuurvolk © Keke Keukelaar

Een paar minuten voor de jaarwisseling, 1996. Isa staat met één been in haar jeugd en één been in haar volwassenheid. Ze heeft de boerderij in de Achterhoek achter zich gelaten, is als eerste van haar familie gaan studeren, is aan een nieuw leven begonnen vol undergroundmuziek en dierenactivisme, en toch kan ze aan haar geboortegrond niet ontsnappen. Haar moeder belt, ze moet terug, haar vader blijkt vermist.

De beesten is de debuutroman van Gijs Wilbrink. Hoofdpersoon Isa is de jongste afstammeling van het vervloekte Keller-geslacht, de familie die letterlijk en figuurlijk buiten het dorp ligt en zich met allerlei louche handeltjes bezighoudt, opa in de gevangenis, oudoom in de achtertuin met zijn illegale nertsenfokkerij, moeder die thuiszorg biedt inclusief happy end. Ooit was papa Tom de grote belofte van de familie Keller, een internationaal beroemd motorcross-wonderkind. Een gruwelijk ongeluk ontnam hem zijn been en zijn toekomst. Of… ging het wel echt zo? En waarom zit opa in de gevangenis? Wat is de rol van tante Anna in dit alles? En waarom wordt de familie Keller eigenlijk zo verguisd?

Op die vragen stuit Isa wanneer ze terugkomt in het dorp. Ze lijkt wel als enige niet in de ban van de vaste patronen van deze familie, hun weigering om vragen te stellen, het gelaten ondergaan van hun lot. Ze heeft haar eigen problemen (te veel hasj, ruzie met beste vriendin), maar neemt zonder vragen te stellen de taak op zich om de familie te redden. Wilbrink heeft van Isa een onvervalste heldin in dit actieverhaal gemaakt, rokend en vloekend achter het stuur van haar eigen auto.

De kracht van dit boek is juist dat het níet precieus is

Bij zo’n lijvige familieroman is er veel mogelijkheid om in te gaan op de complexe banden tussen vader en dochter, man en vrouw, gebrouilleerde zussen. Maar Wilbrink heeft goddomme te veel energie voor een verstilde psychologische benadering van de familiedynamiek. De beesten draait om het verhaal, dat zich over meerdere generaties uitstrekt en waar aan het einde een bevredigende strik omheen zit. Het verhaal zit geen seconde stil, steeds woester stapelen de gebeurtenissen zich op, een gekaapte veewagen, een mislukte pijpbeurt, een bloedhoestende pastoor, tot aan een explosieve climax vol actiefilmgeweld.

Ook het toneel, het naamloze dorp in de Achterhoek, is uitvergroot tot een groteske filmversie van de werkelijkheid, godvrezende dorpelingen om je aan te vergapen die Gerremientje of Olbert of Gradus heten, of tot overmaat van lolligheid naar hun beroep vernoemd zijn, Harrie Garink met zijn gehaktballenkraam of Han Gassink met zijn pompstation. Galmende orgels, schreeuwende motoren en dieren die piepend en krassend aan hun eind komen vormen de soundtrack van deze roman, doorspekt met dialect, ‘hij is kats buiten westen’ en ‘i-j bunt mien ’n mooie deern gewodden’. De Achterhoekers zijn een soort mystiek natuurvolk, iets ‘kraakt als een zeurend zwijn’, iets gebeurt plotseling ‘als een dichtklappende wildklem’, iemand is ‘eenentwintig winters jong’, iets ligt erbij ‘als de verstijfde koude romp van een dood schaap’.

Van de kleine tragiek van het dorpsleven, de motorcross waar een klein dorp groot in kan zijn, tieners die vozen in de paardenstal, een oude alcoholist die ’s ochtends aardappelsalade naar binnen werkt, een pastoor die tijdens de biecht klaarkomt over zijn paarse stola, tot aan de ongegeneerde nineties-nostalgie, Dr. Martens, de ptt, sjek, zines, Jacques Chirac, pogoën op Green Jellÿ, strippenkaarten, rijksdaalders; Wilbrink beschrijft het allemaal met een levenslust die afwisselend aanstekelijk en vermoeiend is. Vermoeiend omdat er soms geen einde lijkt te komen aan de rekwisieten en hun bijvoeglijke naamwoorden, aanstekelijk omdat Wilbrink zelf zo voelbaar enthousiast is over het verhaal dat hij vertelt. De overvloedigheid is daar een logisch gevolg van. Soms doet het denken aan het werk van John Irving, met zijn ongeloofwaardige verhaallijnen die toch meeslepend zijn.

Soms poogt Wilbrink over te schakelen op het iets duisterder, beklemmender register van Marieke Lucas Rijneveld: iets ‘stinkt naar oud leed’, of ‘het leven is ijzel’, hij heeft het steeds over ‘het hobbelige onland, de ondankbare grond’, een ‘huilend huis’ waarvan ‘het leek of het leefde, en kauwde. Of het haar vermaalde.’ Maar die passages komen nogal gemaakt fijnzinnig over, en zijn nergens voor nodig, de kracht van dit boek is juist dat het níet precieus en breekbaar is. De manke Tom Keller is voor het leven getekend omdat hij als kind een konijntje moest vermoorden, maar ze komen niet helemaal uit de verf, die geesten uit het verleden, daarvoor speelt het verhaal zich te veel af in de actie van het heden. Dit boek heeft niet het geduld om een echt gedegen onderzoek naar jeugdtrauma’s te zijn. En dat is prima, er zijn al genoeg traumaboeken.

De beesten is, bij gebrek aan een beter woord misschien, stoer. Niet alleen door de materie, maar doordat er eindelijk eens meer gehandeld wordt dan geweifeld, een zeldzaamheid in debuutromans. Wilbrink treedt buiten het innerlijke. De beesten is een gitaarsolo van een half uur op een dubbelhals gitaar, indrukwekkend en ambitieus, maar overweldigend en misschien iets te lang. Het is geen elegant stukje literatuur, maar een hossend, scheurend verhaal, veel om te lachen, weinig om te huilen, lekker lezen, oehoe oehoe oehoerend hard. Maar dat moet toch ook kunnen? Ach ja toe maar. Joah. Mooi toch. 