Oekraïne

De weken voorafgaand aan het Oekraïne-referendum zat half opiniërend en debatterend Nederland in Oekraïne. Al dan niet op eigen kosten.

Ik ging voor de zekerheid pas erna. Ook niet op eigen kosten.

Ik ging erheen met mijn acteurs om in het kader van een Nederlands filmfestival ‘Flying Dutchmen’ het feest te openen met mijn film Meet me in Venice.

Eerst in Kiev en daarna in Odessa.

Vooral Odessa verheugde ik me erg op. Oude tsaristische badplaats en wat het al niet méér is geweest in de geschiedenis en onder welke naam.

Ik was eerder in Kiev geweest met een eerdere film. In 2007.

Zoals ik in vele Oost-Europese hoofdsteden ben geweest met mijn film. Overal is er altijd een wat wij ‘westers’ publiek noemen in die landen. Arthousepubliek. Jonge cultuurconsumenten met dezelfde subculturele kenmerken als hun mede-arthousefans in Nederland of Duitsland. Hipsters ook een beetje, maar dan zonder de centjes die hun West-Europese geestverwanten vaak hebben. Dus behept met meer improvisatievermogen en met een sneller gevulde kinderhand.

Jonge filmliefhebbers uit de hierboven omschreven kaste duiken vaak op bij gelegenheden waarbij er iets anders vertoond wordt dan Hollywood. Europese festivals trekken altijd het hierboven beschreven publiek. Zo ook in Oekraïne.

Dus veel jonger publiek dan wanneer mijn film in Nederland werd vertoond. Hier was de doelgroep, zo bleek, lezende hoger opgeleide ouderen. En daar alternatieve en hippe jongeren.

Eigenlijk de groep Oekraïners die het ja-kamp in het referendum steeds aanhaalde. Ik verwachtte ze al. Deze groep komt altijd op dit soort culturele events. Maar niet alleen in Oost-Europa. Ook in Tunis, Beiroet, Manilla of Havana.

Natuurlijk niet representatief voor de bevolking van de Oekraïne en zeker niet voor de bestuurders maar om wille van deze vrijzinnige voorhoede zou je zo veel mogelijk willen doen om hun land op te stuwen in de vaart der volkeren. Ze willen zo graag.

Daar zat ’m ook de verlokking in om ja te stemmen bij het referendum, ware het niet dat het gecompliceerder lag. Vanwege het abominabele niveau vol drogredenen van beide kanten en het dédain van het ja-kamp voor de ‘njetsjiks’ was het ja-kamp mijn stem kwijt. Het werd blanco.

Moest ik dat daar nog gaan uitleggen? Kon ik dat genuanceerd genoeg in mijn gammele Russisch of misschien kon het anders in het internationaal gebezigde pseudo-Engels? Kon ik het überhaupt uitleggen? Moest je daar de Nederlandse situatie niet wat beter voor kennen? Onze kijk op Brussel en Eurocratie? Onze vermeende ‘tokkie-elite fittie’? Hoe doe je dat?

De vragen kwamen maar niet. Dus het leek er steeds meer op dat mijn antwoorden niet nodig waren. Noch in het Russisch noch in het Internenglish.

Wel vragen over de film na de vertoningen. Over het onderwerp van de film. Een treinreis langs de Orient Express met een Italiaanse man en zijn Nederlandse dochter. En over de praktijk van het filmen. Vijftien dagen langs het spoor van Venetië naar Istanbul. Vragen over de stijl. Over low-budget filmen. En ik kwam met antwoorden en anekdotes.

Toen, in Odessa, toen ik voor de laatste voorstelling buiten stond te roken, kwam een filmjournalist naar me toe.

‘Wat is er toch in Nederland aan de hand?’ vroeg hij met een serieus gezicht.

Ik probeerde in mijn hoofd al een Russische zin te formuleren over het Nederlandse nee zonder het woord referendum erin, omdat ik daar het Russische equivalent niet van ken en ‘verkiezingen’ de lading niet dekt, toen hij zijn vraag vervolgde:

‘Je niet kwalificeren voor het Europees kampioenschap in zo’n zwakke groep met IJsland en Tsjechië.’

Ook daar wist ik het antwoord niet goed op.