Essay: Heidegger en het bruine Zijn

Oergeweld en oorsprongsdenken

Het opmerkelijke bezoek van de filosoof Heidegger aan Leusden in 1931 is omgeven door vraagtekens. Waarschijnlijk omdat hij het antwoord op zijn vraag naar «het Zijn» uiteindelijk zocht in het nationaal-socialisme.

Martin Heidegger (1889-1976) moet hier hebben rondgelopen. Drie jaar na de publicatie, in 1927, van zijn hoofdwerk Sein und Zeit dat hem binnen zijn vakgebied in een klap beroemd maakte, vroeg de Internationale School voor Wijsbegeerte de «koning van de filosofie» in Leusden een nadere uiteenzetting te geven over de gedachten die hij in zijn hoofdwerk ontvouwt. Van 3 tot en met 8 augustus 1931 logeerde de gevierde professor uit Freiburg in de tegenwoordige Queeste aan de Dodeweg, waar hij een zomercursus leidde.

Een toepasselijke naam, Dodeweg. Heideggers vraag naar de betekenis van het Zijn is immers onlosmakelijk verweven met het eindige perspectief van de dood, dat alle menselijk leven — het «er-zijn» — veroordeelt tot een tijdelijke aanwezigheid op deze aarde. Naar de overige verbindingen tussen Heideggers denken en zijn zes dagen durende verblijf in het Treekerbos op de grens van Leusden en Amersfoort kunnen we slechts gissen

In de biografie van de «meester uit Duitsland» (Paul Celan) vormt diens bezoek aan Leusden niet meer dan een administratieve voetnoot, terug te vinden in George Steiners verscheurde, tussen een onweerstaanbare filologische bewondering en moreel afgrijzen heen en weer slingerende monografie Martin Heidegger (1989). En in zijn magistrale biografie Ein Meister aus Deutschland: Heidegger und seine Zeit (1994) vermeldt Rüdiger Safranski Heideggers reis naar Leusden niet eens.

Ook de Internationale School voor Wijsbegeerte zelf biedt ons geen enkel spoor dat naar de inhoud van Heideggers «nadere uiteenzetting» in Leusden zou kunnen leiden. De documenten van de zomerleergangen doen er geen verslag van. Evenmin bewaren ze een persoonlijke herinnering aan de lessen, gesprekken en discussies rond Heidegger en diens radicaal-ontologische vraag naar het Zijn die, getuige de exclamaties van de studenten die er in Freiburg bij waren, de streng-wetenschappelijke fenomenologie van zijn joodse leermeester Edmund Husserl met de trefkracht van een bliksemstraal in de menselijke existentie plantte (en gelet op de discussie rond Peter Slo terdijks Regels voor het mensenpark rollen zijn donders nog immer na). Zelfs het met sfeervolle kiekjes rijkelijk gezegende fotoarchief van de school in Leusden moet het stellen zonder een visuele bevestiging van Heideggers aanwezigheid aldaar.

Toch behoorde een bezoek aan het buitenland voor Heidegger tot de zeldzaamheden. In zijn lange leven waagde hij zich slechts negen keer over de Duitse grens; vier keer voor de oorlog en vijf keer erna. De eerste keer, in het voorjaar van 1929, betrof zijn roemruchte confrontatie met Ernst Cassirer in Davos, waar de joodse cultuurfilosoof en neokantiaans pleitbezorger van het bevrijdende daglicht van het humanisme de aanval moest verduren van de ontologisch ontketende Duitse dorpskatholiek Heidegger, die de bevrijding zocht in het barbaarse, gewelddadige en angstaanjagende duister van een presocratische ervaringswereld.

In 1930 waagde Heidegger zich twee keer buiten Duitsland, dit keer met als reisbestemming de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Daar sprak hij op uitnodiging van de neokantiaan en bewonderaar van Cassirer, de Amsterdamse hoogleraar dr. H.J. Pos over respectievelijk «die Problemlage der heutigen Philosofie» en «Hegel und das Problem der Methaphysiek».

Het jaar daarop, en opnieuw dankzij bemiddeling van Pos, schoof Heidegger tussen de lessen en discussiebijeenkomsten door, bij zijn cursisten aan in de eetzaal van het Spartaans ingerichte schoolcomplex aan de Dodeweg. Het kan niet anders of het uit 1917 daterende schoolontwerp van architect K.C.P. de Bazel, die een moderne functionaliteit zocht in een rechtsgekeerde oriëntatie op de ambachtelijke vormentaal van de Middel eeuwen, moet de naar soberheid en een archaïsche verstandhouding tussen mens en werktuig hunkerende Heidegger zeer zijn bevallen

Heidegger was de eerste filosoof die de vraag naar het Zijn stelde. Tot dan toe had de filosofie het Zijn beschouwd als een bovennatuurlijke vanzelfsprekendheid en zich uitsluitend beziggehouden met de — subjectieve en voorwerpelijke — zijnden. Heidegger maakte het Zijn, dat wat voorafgaat aan alle zijnden, tot de kern van zijn denken. Wat is het dat iets is?, luidde de zijnsvraag die geen filosoof eerder had beziggehouden. Daarmee drijft Heidegger ons terug naar de «vergeten oorsprong» van het Griekse denken, dat ver vóór Socrates ligt.

In Sein und Zeit gaat Heidegger op zoek naar de etymologische bronnen van het Zijn. Met de diamantboor van zijn uitzonderlijke taalgevoeligheid dringt hij steeds dieper door in het wortelkanaal van een woordbetekenis. Tot daar waar de onverwoordbare menselijke ervaringen de naakte zenuw van het werkwoord «zijn» raken.

Doordat de denker uit het Zwarte Woud geen zingevende kracht van boven erkende, kreeg de verbondenheid van de mens met de aarde als vanzelf een centrale plaats in zijn filosofie. In Sein und Zeit krimpt de wereld gaandeweg ineen van mondiaal tot nationaal en van streek tot plek. Aan het einde van zijn lange «denkweg» vermoedt Heidegger een open plek in het bos: een lichtende ruimte waarin de verborgenheid van het Zijn zich voor de mens ontsluit en in zijn wezen laat ervaren.

Hard en onverbiddelijk zijn de denkpaden waarover Heidegger zijn studenten en lezers naar die onbereikbare wortels van het Zijn wilde voeren. In de ontkenning van een bovenaardse zin ging Heidegger als het ware ondergronds. De mens diende de dood — de tijdelijkheid van het Zijn — onder ogen te zien en «ten dode te denken». Daarbij pasten geen frivoliteiten, versieringen noch illusies. Hoe bitter ook de drank waarmee de beker was gevuld, hij diende tot de laatste druppel te worden leeggedronken wilde men deel kunnen hebben aan de allesomvattende ervaring van het Zijn.

Wat dat Zijn ons zou openbaren wist Heidegger niet. Voor een bruikbare definitie ontbraken ook hem, de taaltovenaar, de woorden. Gaandeweg vallen de existentieel-etymologische speculaties over de ervaring van het Zijn samen met het openbaren van de Waarheid, ook al was zij een troosteloze zonder uitzicht op verlossing. In zijn falende poging het Zijn te ontsluiten met het instrumentarium van de taal en te bevrijden uit de wurgende tautologie die hij het Zijn eigener beweging had bereid, zocht Heidegger ten slotte zijn heil in een mystieke zijnservaring van de Duitse volksgemeenschap, die in al haar vezels wordt gevoed door de omineuze mystagogie van haar geboortegrond.

In 1930 markeerde Heidegger in een herdenkingsrede de plaatsen waar de Duitser die Waarheid moest zoeken. Haar wezen, zo luidde des konings verkondiging, speelt zich af op «vaderlandse bodem». Het komt erop aan zich voor de bestaansmachten te openen en het «geworteld-zijn in de eigen bodem» is daartoe een voorwaarde. Deze verbondenheid met de aarde, de regio en ten slotte zijn geboortegrond in het dorp Messkirch in het Zwarte Woud als waarachtige staat van zijn, was een fatalistische denkrichting doordat zij in haar binnenwaartse, op de Duitse volksaard gerichte beweging aansluit bij — of zich ten minste openstelt voor — de nazi-ideologie, met de belijdenis van het bloed-en-bodem-principe als meest explosieve grondstof.

In Sein und Zeit ontbreekt elk ethisch voorbehoud, elke morele rem. De vraag naar het Zijn en het zich toegang verschaffen tot wat kennelijk alleen ervaren kan worden, is bij Heidegger verheven tot een centrale bestaansmacht waaraan een totale overgave is vereist.

Doceerde Heidegger in Leusden in kniebroek en jagers jasje met schillerkraag? Of zagen de zomercursisten de kleine man in de eetzaal verschijnen in het sjofele pak en met de boeren alpinopet op het hoofd die hem eerder op een klusjesman dan op een wereldberoemde professor uit Freiburg deden lijken?

De geciteerde herdenkingsrede maakt het aannemelijk dat de Duitse denker toen al onder de betovering moet zijn geweest van Hitler en diens gedachtegoed, waarin hij een radicale politieke vertaling zag gloren van zijn eigen gedachten over het Zijn. Tijdens de jaarwisseling 1931-1932 bekende hij zich openlijk tot het nationaal-socialisme en tekende hij inclusief voor de ondergang van de vrije wetenschap in zijn land. Waar zijn taal terugdeinsde en halt hield voor het ultieme bereik van zijn oorsprongsdenken, kon een collectieve ervaring van het Zijn, waarvoor hij een rigoureuze afrekening met het voorafgaande denken en de technische verworvenheden van een van zichzelf vervreemde mensheid noodzakelijk achtte, alleen nog worden bewerkstelligd door een meedogenloze revolutie.

In Heideggers ogen was Hitler de enige kracht die het economisch geknevelde en volkenrechtelijk vernederde Duitse volk tot zo'n omwenteling kon opwekken. Had hij Elisabeth Blochmann, die andere geliefde naast Hannah Arendt, in 1929 in een brief niet geschreven: «Wij verkeren in de waan het wezenlijke te vervaardigen en vergeten dat het alleen groeit als we geheel en al, dat wil zeggen in het aangezicht van de nacht en van het kwaad, volgens ons hart leven. Beslissend is dat oergeweld van het negatieve: de diepte van het bestaan niets in de weg te leggen. Dat is wat we concreet moeten leren en moeten doceren»?

Elf jaar na zijn verblijf in Leusden richtten de nazi’s op loopafstand van de Internationale School voor Wijsbegeerte het Kamp Amersfoort in waar politieke gevangenen aan den lijve de harde hand voelden waarvoor het Zijn van Heidegger onverschillig bleef.

Na de oorlog, en door de geallieerden gestraft met een doceerverbod, heeft Heidegger geen woord teruggenomen van zijn bewondering voor Hitler. Zelfs over de holocaust zou hij zwijgen tot na zijn dood, in 1976, toen Der Spiegel het enige interview dat hij na de oorlog toestond, mocht publiceren. De holocaust? Heidegger vergeleek haar met de kippentragedie van de legbatterij en andere milieurampen die zich voltrekken. «Dood hout vereist nu eenmaal een grove wig», was zijn excuus dat geen excuus was. Je ziet hem hakken en kappen, zich een weg banend door het dichte struikgewas en de immense houtarealen van het Zwarte Woud. Op weg naar de open plek die voor miljoenen de zijnservaring van de hel zou openbaren.

Waarom doen de archieven van de Internationale School voor Wijsbegeerte er rondom het even opmerkelijke als curieuze bezoek van Heidegger voornamelijk het zwijgen toe? De meest waarschijnlijke reden is gedrenkt in dezelfde donkere ironie die het Kamp Amersfoort als een symbolische gevolgtrekking van zijn denken zo onvermijdelijk maakt. In 1940 werd het schoolcomplex geannexeerd door de Nationaal Socialistische Beweging, die er de kaderschool van de WA vestigde en waar de gelaarsde premiejagers werden gestaald die onder meer het Kamp Amersfoort zouden bevoorraden met joden, politieke gevangenen, dieven en zwarthandelaren. De administratie en documentatie van de school ging in de oorlog voor een deel door plundering en brand verloren, tegelijk met het interieur van De Bazel en de herinneringen aan Heideggers gastdocentschap.

Een jaar vóór Heideggers bezoek aan de school had de Nederlandse wetenschapper dr. T. Goedewaagen, een vurig pleitbezorger en actief lid van de Vereniging tot Instandhouding van de Internationale School voor Wijsbegeerte, er een zomerleergang verzorgd, zoals hij ook in 1932, 1933, 1935 en 1937 zou doen. Maar toen hadden de nationaal-socialisten al een aantal Duitse geleerden op de vlucht gejaagd, onder meer richting Leusden waar de Frankfurter theoloog en pedagoog Prof. Dr. C. Mennicke in 1934 op voorspraak van dominee P.S. van de Water tot directeur was benoemd. Mennicke, die diverse Duitse concentratiekampen overleefde, haalde tot 1940 tal van gerenommeerde sprekers en cursusleiders naar Leusden onder wie Gertrud Bäumer, Martin Buber, Carl Jung, Ludwig Klages, Karl Mannheim en Paul Tillich. In mei 1941 zou Goedewaagen, inmiddels secretaris-generaal van het Departement van Volkshuisvesting en Kunst onder de bezetter, de school die hij eerder nog zo'n warm hart had toegedragen toewijzen aan de NSB.

Nog in 1939 redigeerde Heideggers Nederlandse gastheer Pos het boek Anti-semitisme en jodendom: een bundel studies over een actueel vraagstuk waaraan ook Menno ter Braak, Jan Presser en Jos. de Gruyter meewerkten. Het boek verscheen te laat om nog van invloed te kunnen zijn op het veranderde denken van Goedewaagen, tegen wiens plotselinge afzeggen in 1937 van een door hem te verzorgen zomercursus over Hegel de Duitse vluchteling Mennicke toen al vergeefs had ingepraat.

Ook Martin Heidegger had toen al het echec van zijn rectoraat van een «genazificeerde» universiteit van Freiburg geleden alsmede dat van zijn ambitieuze experiment met het «wetenschapskamp». Van 4 tot 10 oktober 1933 beproefde Heidegger op de helling onder zijn schrijfhut in Todtnauberg voor het eerst de praktijk van zo'n wetenschapskamp, dat het midden hield tussen een padvinderskamp en de platonische academie. In de vrije natuur zouden de deelnemers — docenten en studenten — zich kunnen openen voor de nieuwe bestaansmachten. Het uiteindelijke doel van deze naturistische vorm van wetenschapsbeoefening was, aldus Heidegger, het wekken door de «kampgemeenschap» van de «grondbestemming en grondhouding» van de huidige revolutie.

Hoe en waar Heidegger zijn idee voor een filosofisch gemeenschapsreservaat opdeed, is niet bekend. Maar het hoeft niet te verbazen als ooit nog eens zou blijken dat het wijsgerig internaat in het Treekerbos in Leusden hem in 1931 op die gedachte heeft gebracht. Met name het eertijds straffe jeugdherbergregime van lesroosters, wandelingen in de natuur en de voorgeschreven deelname door gastdocenten aan de maaltijden, de spelletjes, de gesprekken en corveediensten van de cursisten vertoont te veel overeenkomsten met de kamprituelen in Todtnauberg dan dat zij op louter toeval zou berusten.