Oerjuf

Huilen in een bioscoop, ik weet het niet. Aan één kant is het fijn om iets te zien dat kennelijk weet te beroeren, aan de andere kant leert de praktijk – zakdoeken die om je heen te voorschijn komen, brillen die af gaan, gesnuf alom – dat je meteen ook met z’n honderden bent.

Wat toch afdoet aan de zaak. De laatste keer dat ik overstag ging, afgezien van langdurig tranen wegslikken bij Interstellar, was bij Brokeback Mountain, de verfilming door Ang Lee van het gelijknamige verhaal van Annie Proulx. Ik had de liefde tussen de twee koeienjongens al met toenemend dikke keel tot me genomen, en brak op het moment dat de ene, Ennis del Mar, knoestige rol van Heath Ledger, de kledingkast doorneemt van de andere, Jack Twist, gespeeld door Jake Gyllenhaal. En tot de ontdekking komt dat Jack onder zijn eigen overhemd het shirt had bewaard waarvan Ennis dacht dat hij het kwijt was geraakt.

Droger scène valt er bijna niet te verzinnen, man werpt blik in kledingkast, maar het beeld van die twee overhemden aan één kledinghangertje gooide alle sluizen open. Toen ik thuiskwam van de bioscoop las ik meteen Proulx zelf erop na, sowieso een gekke ervaring want al die 58 bladzijden zitten gewoon in de film, niks meer en niks minder. En inderdaad, ook Proulx brengt het mooi, en onderkoeld, de ontdekking dat het ene shirt het andere herbergt, ‘the pair like two skins, one inside the other, two in one’.

De lont en het vuur, ze moeten elkaar maar net zien te vinden

Wat je uiteindelijk wil van een schrijver, of van een filmmaker, is dat hij je iets vertelt dat je nog niet wist maar waarvan je wel meteen weet: o ja. Annie Proulx is zo’n schrijver. Voorzover ik weet heeft ze zich niet aan het brein van de terrorist gewaagd, maar de kunst is om daar ook niet zo letterlijk naar op zoek gaan. Dat ze twee macho’s in elkaar de liefde van hun leven laat herkennen biedt ook een vorm van verlichtend inzicht. De lont en het vuur, ze moeten elkaar maar net zien te vinden. Hoe, wanneer, waarom. Vertel het allemaal, maar zonder het rond te willen breien alsjeblieft.

Een lange academische inleiding om het maar niet direct over mijn meest recente tranen te hebben. Iets in de tijdens het Idfa bekroonde documentaire At Home in the World van de Deense filmer Andreas Koefoed deed mij een strijd leveren die ik tegen het eind op moest geven. Ik dacht wel enigszins gestaald te zijn inmiddels, door al die vluchtelingenverhalen in de krant. Koefoeds documentaire raakte aan iets anders. Hij volgde een jaar lang een klas van een Rode Kruis-school waar de kinderen van vluchtelingen hun eerste lessen Deens krijgen. In Denemarken moet ieder asielzoekerskind binnen één of twee weken in de schoolbanken zitten. Wordt een verblijfsvergunning toegekend, of kent het kind de taal goed genoeg, dan volgt overplaatsing naar een reguliere school. De film zoomt in op een paar kinderen, basisschoolleeftijd, en hun juf Dorte, een engel bij wie Miss Honey uit Roald Dahls Matilda bleek afsteekt. Zij weet iedere driftbui te kanaliseren, elke trots te bewaren, en, het allerbelangrijkste bij de tienjarige Tsjetsjeen Magomed, iemand ook met rust te laten.

Afgezien van het hele vluchtelingenverhaal zie je ook weer hoe doodeng een school is, met zijn regels, initiaties, pikorde. Zijn schoolplein. Onvergetelijke scènes zitten er in deze documentaire. De grote ogen van de kinderen als juf het sprookje van Hans en Grietje voorleest (‘Waarom denken jullie dat de vader ermee instemt om zijn kinderen in het bos achter te laten?’), het Indianenlied dat zij met ze aanheft als er ruzie dreigt tijdens de knutselles, het gezicht van Magomed als ze hem vraagt waarom zijn moeder niet wil dat hij naar een andere school gaat. Hij is slim, hij kent de taal inmiddels, waarom niet? Zijn jongere zusje zit naast hem te glimmen. Juf Dorte vertelt het hun: ‘Jullie zijn leuk, jullie zijn vriendelijk. Jullie gaan ook op de andere school vrienden maken.’ Magomed zegt niks. Kijkt alleen maar. Zijn vader had het al eens gezegd: hij is verlegen. Hij heeft moeite met veranderingen. Juf Dorte gaat met de moeder praten, met een tolk erbij. Weer die intens lieve glimlachen, over en weer. De sociaal wenselijke antwoorden: natuurlijk, de kinderen moeten verder kunnen leren. Als dan ook nog eens de verblijfsvergunning een feit is – hoera! – moet Magomed wel trakteren, immer zwijgzaam, en juf Dorte dag zeggen. Zoekend naar mijn zakdoek dacht ik: o ja. Als je zo’n lieve juf hebt, dan wil je bij haar blijven.