De zestienjarige Esther uit Burkina Faso in The Last Shelter © IDFA

Ergens aan de rand van de Malinese stad Gao, op de grens met de Sahara, staat het Caritas-migrantenhuis. Het is de laatste stop voor ‘de hel’, zoals de migranten het noemen, voor de levensgevaarlijke tocht door de woestijn. Hier bereiden reizigers zich voor op hun reis richting Europa en hier komen zij die het niet hebben gered even op adem voordat ze het nog eens proberen, of voordat ze terugkeren naar huis. Het is een ‘tussenplek’. Iedereen is hier passant, behalve de manager Eric Alain Kamdem die het runt. En ook hem zien we alleen en passant terwijl hij nieuwkomers begroet, hen adviseert, helpt met formulieren, vervoer naar huis regelt, hun hoofden kaalscheert – ‘Je moet nooit met lang haar de woestijn ingaan’ – en luistert naar hun verhalen.

Zo zien we hoe hij probeert in te praten op de zestienjarige Esther uit Burkina Faso die net is aangekomen met haar vriendin Kadi en naar Algerije wil. Hij vertelt over de gevaren die voor haar liggen, over de meisjes die worden verkracht, of gedwongen tot prostitutie, over de losgeslagen milities, over al-Qaeda, de talloze illegale checkpoints waar ze moeten betalen, over de zandstormen, de dorst, over het verdwalen, over Algerije waar ze niet welkom zijn. ‘Ga niet, ga naar huis’, dringt hij aan. Esther, dan nog gehuld in een nikab, later zal ze die afdoen, kijkt strak voor zich uit, ze luistert zwijgend, maar dan opeens rollen de tranen over haar wangen.

De Malinese regisseur Ousmane Zoromé Samassekou is zelf niet zichtbaar aanwezig in de film. Er is geen voice-over, geen vertelling en geen toelichting op wat we zien. Door zijn aanpak mis je soms de context en de uitleg, maar bijzonder is dat je hierdoor als kijker voor even zélf in dit toevluchtsoord voor migranten bent; alsof je al leunend tegen de zeeblauw geverfde muur, het sloffen van de slippers op de kale vloer hoort, naar de worstelwedstrijden op de televisie kijkt en her en der flarden van gesprekken opvangt. Je wordt deelgenoot van de jonge migrantenlevens, van de angst die van hun strakke gezichten afstraalt, hun bescheiden dromen, hun verdriet, hun pijn, tot ze weer uit beeld verdwijnen. Gefragmenteerd, net als de werkelijkheid.

Terloops maken we kennis met een aantal bewoners: Mariko, die visioenen heeft van een vrouw aan zijn raam, met wie hij wil trouwen en naar Europa reizen; een jonge vrouw die is teruggekeerd, vertelt hoe ze werd verkocht door een man die ze vertrouwde; de Soedanese Natasha, een stille vrouw van middelbare leeftijd, die veel bidt en al vijf jaar bij Caritas werkt, en elke dag in haar eentje zit te schaken. ‘Waarom speel je alleen?’ vraagt Esther op een dag terwijl ze in hun kamer op matrassen zitten. ‘Dat is niet goed. Speel met een van ons.’

‘Als je gaat vertrekken moet je alles accepteren, behalve de dood’

Samassekou heeft de film opgedragen aan zijn oom die 32 jaar geleden vanuit Mali naar Duitsland vertrok en ergens onderweg verdween. Niemand heeft meer iets van hem gehoord. Het is ook om die reden dat manager Kamdem aan al zijn gasten een telefoonnummer van een familielid vraagt, zodat hij hen op de hoogte kan brengen van hun eventuele lot. Want, zoals tijdens een kringgesprek wordt gezegd, minder dan één procent van de jonge, migranten haalt het om in Europa aan te komen. De anderen keren na vele ontberingen terug uit de woestijn, of verdwijnen.

Tijdens de openingsscène graven een paar mannen een graf in de harde woestijngrond, ernaast ligt een bordje met daarop: ‘Ici repose Amadou Boubacar. Né vers 1996…’ De rest is zo verroest – ‘weggegeten door het zand’ – dat het niet te lezen is. ‘Overal hier liggen lichamen’, zegt Kamdem terwijl hij naar de kale vlakte wijst. Bordjes vermelden waar ze vandaan komen: Benin, Ivoorkust, Togo, Burkina Faso, Niger… Van een man uit Guinee staat zijn rugzak nog in het Caritas-centrum. De nieuw aangekomen jonge mannen en vrouwen staan er stil omheen. Ze willen allemaal iets bereiken, ze verlangen naar vrijheid, ontwikkeling, mogelijkheden. Ze weten dat het zwaar wordt. ‘Als je gaat vertrekken’, zegt een van hen later, ‘moet je alles accepteren, behalve de dood.’

The Last Shelter is een indringend en kunstzinnig portret van het migrantenleven. Een absolute aanrader. Prachtig is het moment dat Samassekou verstilde beelden van de woestijn laat zien, met daaronder de stemmen van de vele passanten die in het migrantenhuis te gast waren. Ze beschrijven in het Engels, Frans, Bambara de helse reis, de angst, hoe het zand je gek kan maken, langzaam zwellen de stemmen aan tot een enorme kakofonie, waarin het eindeloos lamenteren over het lijden van de migrant één oerkreet wordt.

Aan het einde vertelt Esther in een persoonlijke monoloog waarom ze besluit toch naar Algerije te gaan. En je begrijpt haar. Zo hebben alle migranten hier hun eigen verhaal, hun eigen redenen. Via haar laat Samassekou zien hoe diep de drang is om te vertrekken, en hoe moedig deze jonge mensen zijn. ‘Als je me wilt helpen’, zegt ze zacht, ‘moet je me laten gaan. Me aanmoedigen. Dat is het enige wat ik vraag.’

The Last Shelter is te zien op 18, 21, 22, 24 en 27 november in verschillende zalen, idfa.nl