Oermoeder Borst

D66 heeft een imagoprobleem: de partij komt over als een club van voormalige corpsjongeren en ander carrièregrut. Grote uitzondering is Moeder Els Borst. Haar reputatie is dan wel tanende, toch bedoelt ze het niet kwaad. In haar kleine goede werken getuigt ze van sociaal benul. Dat is bijzonder voor een D66-politicus.

Medium els 20borst 20hh 2821672

Elke politieke partij heeft haar oervaders en oermoeders. Figuren die door hun karakter en optreden meer over die partij verklappen dan welk programma ook.
De christen-democraten beschikten nog niet zo lang geleden met Van Agt, Lubbers en de oude Gaay over opvallende, eigentijdse vertolkers van het erfgoed der papen en der vaderen. Archetypische vrouwen van christelijke huize waren er ook: de freule Wttewaal van Stoetwegen, terzijde gestaan door boer Koekoek. En natuurlijk was er Marga Klompé, de lieve en onvoorspelbare tante Pollewop van de KVP die haar collega-ministers leerde elkaar te tutoyeren en die zich bij de P.C. Hooftprijs-uitreiking in 1969 aan Gerard Reve door deze homoseksuele volksschrijver op de wang liet kussen. Een daad waar het land schande van sprak en waar men overigens niet te gemakkelijk over moet denken; voor een katholiek bewindspersoon was zoiets destijds een werk van barmhartigheid. Op dit moment zijn de christen-democraten wat onthand. Hun voorman, Jaap de Hoop Scheffer, verkondigt wel fier het christelijke woord in de politieke arena, maar hij heeft zijn uiterlijk niet mee. Hoe hij ook zijn best doet, zijn door de Schrift ingegeven betogen komen niet echt over. Bij elke zin blijf je denken: vader, in jouw collectebusje zou ik nooit een cent doen en een tweedehands auto zou ik ook nooit van je kopen.

Van oudsher zit de sociaal-democratie goed in haar Abrahammen en Sara’s. Ze heeft zelfs nog oervaders van oude snit in haar midden: Wim Kok, een moderne evenknie van Drees; ethicus-politicus Jan Pronk, een leerling van de rode dominee Banning; en natuurlijk Johan Stekelenburg, de partijleider en minister-president in de wachtkamer, onlangs nog getipt voor het hoogste politieke ambt in het nieuwe Volkskrant-magazine. Onder de overledenen is er de calvinistische vechtjas Den Uyl, een evenaring van de strijdersnatuur Troelstra. Oermoeders zijn er bij de socialisten ook. Vaak blijken het de vrouwen van de eerste man in de partij. Denk maar aan Liesbeth den Uyl en Riet Kok. Achter de rode banier scharen zich ook vrouwen die op eigen kracht het hart van de kiezer hebben veroverd. Stoere wijven zijn erbij, zoals wijlen Ien Dales en Annemarie Grewel, maar ook dametjes op hakken als Hedy d'Ancona.
De VVD heeft evenmin te klagen over herkenbare, beeldbepalende typen. De partij beschikt over de sigarenroker Wiegel, de homo universalis in de politiek Bolkestein, en Hans Dijkstal, die er nog niet helemaal is als liberaal patroon, maar die het dankzij zijn saxofoon en de nonchalance van zijn politieke optredens uiteindelijk toch zal maken. Onder het vrouwelijke topkader telt men de joviale, breeduit lachende Erica Terpstra, verpersoonlijking van de onbezorgde levenshouding der liberalen, van het sherry- en martini-gevoel dat deze club kenmerkt. En vroeger was er natuurlijk Haya van Someren, met plooirok, blouse, sjaaltje en immer rollende r een van de meest exemplarische van alle VVD-dames sinds de oprichting van deze partij.

Maar hoe is het gesteld met de archetypen van de vierde partij in ons land? Hoe zit het met de heits en mems van de volgens eigen zegsmannen meest vernieuwende naoorlogse stroming in de politiek, het progressieve liberalisme, uitgedragen door de hockeymeiden en eigen-bootje-jongens van D66? Vanzelfsprekend is er de founding father Hans van Mierlo, die net als Heintje Davids tot op het einde telkens is blijven terugkomen. Na hem is er een hele tijd niets, behalve dan misschien Jan Terlouw, die de partij in 1981 een eclatante verkiezingsoverwinning bezorgde (zeventien zetels). In vergelijking met Mr D66 was hij echter een eendagsvlieg, bij de verkiezingen van het jaar daarop moest hij alweer bakzeil halen (zes zetels). Andere heren van deze partij konden niet eens in de schaduw staan van de reus uit Amsterdam. Maarten Engwirda niet (wie weet nog wie dat was?) en Gerrit Jan Wolffensperger niet. En ook de krullenjongens van dit moment, Thom de Graaf en Roger van Boxtel, zullen slechts met grote moeite kunnen ontkomen aan Van Mierlo’s altijddurende bijstand op afstand, zoals bleek tijdens de Nacht van Wiegel, waar Van Mierlo achter de coulissen de regie voerde. Welbeschouwd hebben mannen de eerste tien, twintig jaar geen schijn van kans tegen de door zijn eigen partij rondspokende grote roerganger van voorheen. Nog tot ver in het jaar 2000 zal zijn geest neerdalen op de nieuwe progressief-liberale kamerleden, voorzitters en fractieleiders van het mannelijk geslacht. Oervaders zijn er kortom bij D66 vooralsnog niet te verwachten. En dat is een groot probleem voor deze jongensboekenpartij, door de socioloog J.A.A. van Doorn ooit beschreven als ‘bedenksel ontstaan op krantenredacties, uitgewerkt door academici, gecolporteerd door reclamemensen’.

Als mannen Big Brother Van Mierlo niet kunnen doen vergeten, kunnen vrouwen het dan misschien? Daar is meer kans op. Vrouwen hoeven immers de competitie met de aartsvader niet aan. Zij kunnen groeien en bloeien zonder last te hebben van zijn slagschaduw. Want, laten we eerlijk zijn, wie in de donkere en fonkelende ogen van wijlen D66 Tweede-Kamerlid Anneke Goudsmit keek, was even van de wereld en vergat vanzelf dat er een Van Mierlo bestond. Het 'jonge ding’ Winnie Sorgdrager bracht een gelijksoortig effect teweeg. Ook mevrouw Els Borst, minister van Volksgezondheid en verrassende lijsttrekker bij de afgelopen Tweede-Kamerverkiezingen, kan op eigen benen staan. Evenmin als de twee andere dames roept zij de altijd op de loer liggende vergelijking met Van Mierlo op.

En ook al is ze in haar nadagen, Els Borst is de oermoeder van D66, ook al moet haar geschonden blazoen een beetje worden opgepoetst. Er zijn immers nogal wat vlekjes weg te werken: het klunzige handelen bij de gezondheidsklachten van de door de ramp getroffen Bijlmerbewoners - eerst kon er geen sprake zijn van een onderzoek, toen kon het misschien en daarna moest het koste wat kost. En niet te vergeten: haar geschuif en gedraai met de introductie van beperkte marktwerking in de gezondheidszorg, door haarzelf naar Amerikaans voorbeeld omschreven als 'gereguleerde competitie’. Twee weken geleden leidde dit tot het zoveelste botsinkje met de Tweede Kamer, die zich voorzichtig verzette tegen haar voorstel om speciale zorg voor werkenden in de ziekenhuizen toe te staan. Borst haalt bakzeil, noteerden de kranten, terwijl het omgekeerde het geval was. De Kamer legde zich neer bij haar belofte te kijken of de voorrangszorg hier en daar toegankelijk kan worden gemaakt voor ziekenfondspatiënten.
Dergelijke berichtgeving is kenmerkend voor de veranderende teneur in de meningen over 'beste Els’. Haar imago van onkreukbare, beschaafde, oudere dame staat nog wel overeind, maar niet meer zo stevig als voorheen. Zelfs de vertedering die haar dikwijls a-politieke optreden aanvankelijk opriep, heeft plaatsgemaakt voor meewarigheid en ergernis.
Dat mag allemaal zo zijn, het doet niets af aan de betekenis van 'beste Els’ voor D66. Mevrouw Borst heeft nieuwe perspectieven geopend voor de partij. Met al haar beperkingen komt zij nog het dichtst bij de vrouwelijke model-opvolger van Van Mierlo. Ze is het voorbeeld waaraan de vrouwelijke Nachwuchs zich kan spiegelen.
Daarom is het goed eens stil te staan bij de loopbaan van mevrouw Borst. Want wie is deze veelgeprezen en sinds kort ook bekritiseerde politica eigenlijk? Wat maakt haar tot model voor de Madame D66 die in de volgende eeuw moet opstaan om Mister D66 definitief naar de geschiedenisboekjes te verwijzen?

Wim Kok noemde haar eens de Golda Meir van de Lage Landen. Ze wordt omschreven als 'talent met stalen kern’, als 'ijzeren dame’, als 'moeder Borst’ of door de echte humoristen als 'brave Borst’. Zelf zei ze ooit: 'Er zit staal in mijn fluwelen handschoen.’
'Twee zielen in één Borst’, schijnt SP-partijleider Jan Marijnissen eens over haar gezegd te hebben. Daarmee doelend op de harde en de zachte kant van haar karakter, en mogelijk ook op de meest kenmerkende eigenschap van deze in de politiek verdwaalde dame uit Bilthoven, te weten het schijnbaar geruisloos verenigen van twee in principe tegengestelde begrippen: collectiviteit en individualiteit, oftewel algemeen en eigen belang. Meer dan wie ook in haar partij geeft mevrouw Borst blijk van sociaal benul. Van haar moeder leerde ze 'warmte, aanpakken en verzorgen’. 'Zij was’, aldus de minister, 'erg lief voor de familie, verzamelde altijd eenzame tantes rond de kerstboom en ontfermde zich over de zieken. Iedereen kon bij haar komen sterven.’ Een onuitstaanbare tante deed dat ook daadwerkelijk, tot spijt overigens van het toen nog thuiswonende jonge meisje Els Borst.

Dat D66 nog altijd voor sociaal-liberaal wordt versleten, is in belangrijke mate de verdienste van mevrouw Borst. Niet zozeer haar zwabberende beleid getuigt van solidariteit met de Jan Boezeroens en Miep Dobbelsteens, het zijn haar ferme uitspraken en haar hartverwarmende kleine goede daden die vertrouwen wekken. Zo beschrijft een journalist hoe hij onder de indruk raakte van haar optreden tijdens een werkbezoek aan een ziekenhuis. Terwijl staatssecretaris Erica Terpstra rondzwierde met officials zat mevrouw Borst in een stil hoekje naast een huilend gehandicapt meisje in rolstoel, aldus het aangrijpende verslag. En neem bijvoorbeeld wat de minister zegt over de tweedeling in de gezondheidszorg. 'Toen ik opgeleid werd tot arts’, vertelt ze in een interview, 'was er in het ziekenhuis nog een klassepaviljoen met hoogpolig tapijt en waren er verpleegkundigen die geselecteerd werden op hun beschaafde voorkomen. Rijke patiënten werden door de professor zelf behandeld. Dat kun je je toch niet meer voorstellen. In ziekte en gezondheid zijn alle mensen gelijk.’ En ze besluit: 'Wie rijk is, mag voor alles bijbetalen, maar hij wordt op precies dezelfde manier verpleegd, verzorgd, geopereerd, gesneden en geknipt als ieder ander.’

Zelfbeschikkingsrecht van het individu is voor Els Borst een groot goed. Het besef daarvan kreeg ze van huis uit mee. Opgroeiende op een bovenetage in de Amsterdamse Rivierenbuurt zag ze haar vader zijn kansen grijpen. Hij werkte zich op van eenvoudige werknemer tot onderdirecteur van een matrassenfabriek. Hij was een beetje een zoekende ziel die nergens bij wilde horen, vertelde Els Borst aan Opzij. Hij verliet de hervormde kerk, want 'hij zei altijd: “Waar meer dan drie mensen hetzelfde geloven, begint de intolerantie.”(’ De minister zegt 'ongetwijfeld beïnvloed’ te zijn door haar vaders 'obsessie met tolerantie en intolerantie’. In elk geval heeft het haar mede gestempeld als bewaker van de mensenrechten op de vierkante meter, die de individuele vrijheid boven alles stelt. Ook haar oorlogservaringen droegen ertoe bij dat ze ging twijfelen aan praatjes over het algemeen belang en hogere doelen, waaraan iedereen en alles ondergeschikt is. De familie Borst woonde boven een joods gezin dat op een avond uit hun huis werd gesleurd. Els Borst kan het zich nog altijd herinneren, evenals die keer dat ze als scholier onderweg naar huis door Duitse soldaten werd gedwongen een openbare executie mee te maken.

Niet toevallig noemt de bewindsvrouw Ien Dales en Marga Klompé haar vrouwelijke voorbeelden in de politiek. 'Het waren allebei buitenbeentjes’, zegt ze, 'maar ze gingen gewoon hun eigen gang.’ Zo zou Els Borst ook wel een beetje willen zijn: eigenzinnig en confronterend. En zo is ze ook, althans voor een deel. Een aantal uitspraken van haar illustreert dat. Zo zei ze ooit zelf graag een pilletje te hebben voor het geval ze dement werd en het niet meer zou gaan. Alweer jaren geleden verklaarde ze voorstander te zijn van het homohuwelijk. Ook vertelde ze zich te kunnen voorstellen dat een allochtone moeder bij het vierde meisje abortus wilde, uit angst voor de overspannen reacties van haar man. En in 1972, toen feminisme en Dolle Mina bon ton waren, deelde Borst een hele mooie stoot onder de gordel uit aan de geëmancipeerde dames. Als stelling bij haar proefschrift schreef ze: 'Een vrouw die zo weinig de baas in eigen buik is dat zij tegen haar wil zwanger wordt, dient niet het alleenbeslissingsrecht over het afbreken van de zwangerschap op te eisen.’
Maar er bestaat ook een meer aangepaste Borst: de politica die telkens een scheutje water bij de wijn doet als anderen dat van haar eisen. 'Als iemand een betere oplossing weet, mag hij het zeggen’, schijnt een van haar meest geciteerde zinnen te zijn in Den Haag. Ze is wars van grote stappen en handelt in de politiek zoals het in haar beroepsgroep van artsen gewoon is. Of het nu gaat om een patiënt of een autootje, waar het op aankomt is dat het 'dingetje’ blijft lopen. Van een Opel Astra maak je nou eenmaal nooit een Volvo 2000 en van een vrouwtje op leeftijd met maag- en darmkwalen maak je geen spring-in-’t-veld. Zelf zegt Borst over haar aanstelling en functioneren als minister: 'Ze dachten we nemen een arts, die weet dat je nooit een ideaal systeem krijgt. De geneeskunde is nu eenmaal een zaak van oplappen en de boel gaande houden.’

Ondertussen staat haar beleid voor de gezondheidszorg bol van de hele en halve maatregelen: de pil uit het ziekenfonds, de pil in het ziekenfonds; het kunstgebit eruit en even later er weer in; verregaande marktwerking in de thuiszorg, beperkte marktwerking; en zo verder en zo voort. De neiging van de minister het onverenigbare te verenigen lijkt zich hier te wreken. Ze wil aardig zijn voor de armen én voor de rijken. Vandaar dat ze het sociale bouwwerk van onze gezondheidszorg in stand wil houden, en vandaar dat ze tegelijkertijd beperkte voorrangszorg wil toestaan aan de welgestelden. Maar dat laatste mag weer niet ten koste gaan van de minder welgestelden, maar moet hen juist ten goede komen - het Robin Hood-argument.
En toch. De pragmaticus Borst lijkt meer te bereiken op haar uiterst moeilijke werkterrein dan bijvoorbeeld haar voorganger Simons, een typische PvdA-politicus die in blauwdrukken dacht. Met haar kruip-door-sluip-door-strategie en haar kriebel-krabbel-beleid heeft Borst tenminste iets voor elkaar gekregen. Ze heeft de specialisten hun zo dierbare status van het vrije ondernemerschap min of meer stiekem afgesnoept en afspraken met hen gemaakt over de kosten van specialistische zorg. Een niet te onderschatten prestatie, want de heren medici voelen zich nog altijd gebruuskeerd door CDA-staatssecretaris Van der Reijden die ooit zei dat de specialisten hun hoge salarissen nodig hadden voor hun 'tweede vrouw en derde huis’. Verder slaagde Borst met haar Wet Geneesmiddelenprijzen waar haar voorgangers tekortschoten: ze verkreeg controle over de kosten van de medicijnen. Meer wapenfeiten zijn er echter niet te melden op het terrein van de sociale gezondheidszorg. Onder Borst is tot op heden, ondanks alle bezuinigingen en de beperkte introductie van de marktwerking, het gelijkheidsbeginsel niet daadwerkelijk aangetast. Maar daar is alles mee gezegd. En waar haar beleid naartoe gaat, weet niemand, de minister zelf wellicht ook niet.

Beter lijkt het Borst te vergaan op het gebied van de medische ethiek en moraal. Daar is ze opvallend doortastend. Dit najaar behandelt de Kamer een voorstel tot verruiming van de euthanasiewet en een voorstel voor soepeler regelgeving inzake zwangerschapsonderbreking na vierentwintig weken. Beide maatregelen behelzen een uitbreiding van de autonomie van het individu. Bij euthanasie bijvoorbeeld krijgt de wilsverklaring een wettelijke status, wordt de niet-strafbaarstelling van de arts geregeld en zijn kinderen vanaf twaalf jaar gerechtigd bij ernstige ziekte over hun leven te beschikken. Beide voorstellen komen uit de koker van Justitie en Volksgezondheid. Els Borst is er een warm pleitbezorger van. 'Mensen’, zegt ze naar aanleiding van de euthanasiewet, 'willen tegenwoordig niet alleen een goed leven, ze willen ook een goede dood.’

Onwillekeurig dringt zich de onaardige gedachte op dat de grotere voortvarendheid van Borst inzake de medische ethiek iets zegt over haar prioriteiten. De vrijheid van het individu om te beslissen over het eigen leven lijkt haar net iets meer ter harte te gaan dan de gelijke kansen op een deugdelijke gezondheidszorg. Maar zulk een conclusie zou onrecht doen aan haar moederlijke gevoelens voor iedereen in de samenleving. Anders dan voor de corpsjongeren en het overige carrière-grut uit haar partij zijn voor Borst alle mensen gelijk en sommigen niet meer gelijk dan anderen. Althans in theorie. Dat in de praktijk een maatregel, bijvoorbeeld de invoering van de zogenaamde bedrijvenpoli, de ingenieur van Philips bevoordeelt ten opzichte van de worstverkoper van de Hema, is iets anders.
Els Borst is het type dat haar eigen straatje schoonveegt en als het even kan ook dat van de buren. Deze van oorsprong Amsterdamse meid die ooit heeft geweten wat het is om met een pannetje soep rond te gaan, is een baken voor haar partij. Ook al laat ze de aankomende jaren steken vallen in de gezondheidszorg, ze blijft de oermoeder van D66. Haar woorden en haar moederlijke optredens getuigen meer van haar sociaal bewustzijn dan haar beleidsdaden, dat wel. Maar ze is zonder twijfel een mens van goede wil. Figuren als zij zijn kostbaar in een partij waar al te veel upperclass-Lousewiesen rondlopen. Als in de eenentwintigste eeuw op het partijbureau een standbeeld wordt geplaatst van de grote roerganger moet haar afbeelding ernaast. Al was het alleen maar vanwege haar goede bedoelingen.


Beeld: Roger Dohmen / HH