Klassiek: Louis Andriessen

Oertoestand

Luisterend naar de cd-opname van Louis Andriessens liederencyclus The only one, een van zijn laatste werken voordat het monster van de dementie hem dwong zich terug te trekken, denk ik te snappen wat hem aantrok in de vijf gedichten van de Belgische dichteres Delphine Lecompte. Ze gaan over de gruwel van routine en verval, de verschrikkingen van de volwassenheid en het gekunstelde geluk van grote mensen, deugdzaam ‘cycling to a future that is bright and voluptuous and also merciful, healthy and hospitable’. Zo zijn ze. Hun vrije tijd verdommelend tussen de vreselijke tronies in de kroegen, recreërend op het slagveld van het naaktstrand: ‘It was hard to stay a child/ between that much corruption.’ Lecompte’s teksten gaan over de aanslag op die ongerepte oertoestand en de wens er te blijven. Want in het kind is nog de vrijheid van de droom. Daar heb je Andriessen. Zijn oeuvre is het spelende kind tegen de wetten van de grote mensen. Dat spelen van hem is die onschuld. Dat is nou zijn romantiek.

Andriessen schreef The only one voor zangeres Nora Fischer, die in mei 2019 in Los Angeles de wereldpremière zong met het Los Angeles Philharmonic onder Esa-Pekka Salonen, dat het nu ook voor Nonesuch vastlegde. Weer orkest, al is het meer een groot en soms piepklein ensemble. Ik kon hem in 2019 nog net vragen wat het werd, namelijk dit: ‘Het gaat als een geweerschot af en dan gebeuren er dingen.’

Adequaat omschreven. Het geweerschot is een korte introductie in de koel-precieze Amerikaanse minimal-toon die eerst hem beïnvloedde en via hem weer Amerika. Dan de vijf liedjes met instrumentale tussenspelen, lichtgevend als een digitale kleurenprent in hoge resolutie, waarin inderdaad Dingen Gebeuren. Dingen die gewoon in hem opkwamen.

De partituur bekoort door zijn volstrekte informaliteit en de ironische beweeglijkheid waarmee de toon zich groot of klein maakt. Het is muziek van opvliegers, verdwaalde kogels, flarden herinnering. In The early bird duikt een Mexicaans muziekje op voor maracas en twee trompetten, dat zo snel verdwijnt als het gekomen is. Elders stijgt even onverhoeds een middeleeuwse fanfare op. Met regelmaat laat Andriessen de zangeres bijna of helemaal alleen. Dan zingt ze solo of met begeleiding van een harp, ‘dry as a Celtic harp’, of met gitaar en bas als in een dromerige jamsessie. De indruk van spontaniteit is totaal. Je zou het puberale recalcitrantie kunnen noemen, als het niet door het filter van de terugblik was gegaan. Ik heb de muziek van de latere Andriessen weleens met een prentenboek vergeleken of een boek met foto’s uit je kinderjaren. Dat was jij. Zie dat lachen. Nog geen flauw benul. Genade. Dat.

Zo zingt Fischer hem dus ook. Vibratoloos en puur in de geest van eerdere Andriessen-vertolksters als Astrid Seriese en zijn muze Cristina Zavalloni, met de scherpte van een kind en de vitale sneren van een in de geest van de gedichten door het leven aangeslagen feeks, zo muzikaal als de pest. Het heeft iets roerends dat een componist van tachtig dit nog naturel op zijn palet had. Ik heb hier oude meesters zien vergaan in bitterheid en miezerige ondergangsvisioenen. Louis lachte het leven uit met kritische, bruisende liefde. Daar heb je meer aan dan de wetenschap dat alles toch vergeefs is, al is dat zo.


Louis Andriessen, The only one