Oertruttig voyeurisme

De smaak van de grote leeskudde wordt steeds ondoorgrondelijker. In Duitsland schoot een boek van een Poolse poetsvrouw in één klap naar de hoogste regionen van de hitparades. In Unter deutschen Betten tekent de auteur, Justyna Polanska, op wat ze zoal tijdens haar werk meemaakt en aantreft.
Bij drie verschillende Nederlandse radioprogramma’s en in evenzoveel bladen heb ik dezelfde voorbeelden al horen langskomen, gniffelend becommentarieerd. Het blad Bild heeft een top-tien van smerigste vondsten uit het boek geplaatst. Op plaats één: een dode hamster. Hi-la-risch natuurlijk. Plaats negen: een… beschimmeld stuk pizza! Nee, écht? Plaats vier: een complete teennagel!
Waan-zin-nig! Zoiets verzín je toch niet?
Dit is met afstand de meest raadselachtige bestsellerraket die ik ooit de dampkring heb zien doorkruisen. Wie wil dit in hemelsnaam lezen? Nou, heel Duitsland om te beginnen, en inmiddels ook allerlei buurlanden. Maar het is helemaal niet grappig! Uit wat ik begrijp uit alle beschouwingen, interviews en fragmenten die ik op internet heb kunnen vinden, excelleert het boek met name in stompzinnigheid.
Mein Name ist Justyna. Ich komme aus Polen. Ich bin Putzfrau. Ich sehe, wie es wirklich aussieht im Leben der Leute. Und was mir da manchmal begegnet, hätte ich nicht für möglich gehalten…
Aanvankelijk dacht ik nog: aha, maar hier zit natuurlijk meer achter. Dit boek is vast een zedenschets van BMW-rijdend Duitsland, subtiel gesausd met reflecties op arbeidsimmigratie, de moeizame relatie met Polen, misschien nog wat naspel uit de Tweede Wereldoorlog. Maar dat is allemaal niet aan de orde. Het is precies wat het lijkt, een onbenullig werk dat misschien als schoolbladrubriek niet onaardig was geweest.
Het enige wat er eventueel aan relevants over gezegd kan worden is dat het ‘afrekent’ met het beeld van de nette, ordentelijke Duitser. Maar bij wie bestond dat beeld dan? Over het algemeen beschouwt de rest van Europa Duitsers gewoon als grove braadworsten die je zoveel mogelijk geld moet zien af te troggelen. Net als Nederlanders dus.
Wij hebben Justyna Polanska niet nodig om dat te constateren. Wij kunnen gewoon thuisblijven, en in de paasvakantie een strandwandeling maken. Dan is het eigenlijk heel verbazend dat die dode hamster het toppunt van smerigheid bleek. Is Polanska wel in Duitsland geweest, en niet per ongeluk na een verkeerde afslag in een bergdorpje in het Zwitserse Wallis beland?
Nu kun je zeggen: slim gedaan van die papierpooier (of uitgever van 'unterhaltsame Romane’, zoals Droemer-Knaur zichzelf omschrijft). Die heeft blijkbaar een geslaagde campagne gevoerd. Ergens hoop ik nog dat dit waar is, dat je met slimme marketing zelfs lege wc-rollen in recordoplagen uit het Centraal Boekhuis kunt jagen. Ik vrees alleen dat het niet zo is, dat aan het succes wel degelijk een honger naar het product schuilt.
In dit geval: dat de wereld wel degelijk geïnteresseerd is in wat mensen voor vuilnis onder hun bed hebben. Het is niet eens plat, niet eens ranzig, niet eens ordinair, het is juist een oertruttig soort voyeurisme. Volksentertainment is werk dat nooit echt schokt of ontregelt, maar altijd binnen de kaders van het burgerlijke blijft. Dat verklaart ook het succes van series als Oh, oh Cherso, Benidorm Bastards of Boer zoekt vrouw. Het doet je verrast 'so hee!’ of 'o la là!’ uitroepen. Het exces en het buitenissige hebben er iets schalks. Ze zetten misschien twee tenen of een hele voet over fatsoensnormen of verwachtingspatronen, maar hun uitwerking is altijd juist een versteviging van het hart van die normen.
In de tijd van Goethe stonden poetsvrouwen ook in de kroegen te bazelen over de vuiligheid die ze onder bedden vonden. En de jongeren zopen even hard en neukten even driftig in hooischuren in de tijd dat Stendhal Le rouge et le noir schreef. Goethe en Stendhal hoefden ook niet op warme belangstelling van het volk te rekenen. Ze schreven geen unterhaltsame Romane.
Het geval van de Poolse poetsvrouw bevestigt iets wat ik al wist maar in nuchtere toestand tot nu toe nooit graag hardop zei. Toch is het tijd om het maar gewoon te verklappen: literatuur is een elitaire aangelegenheid. Literair werk kan alleen door een relatief kleine groep op waarde geschat worden. Het elitaire karakter van literatuur brengt ook met zich mee dat het hoogstaander is dan andere gedrukte talige uitingen, die minderwaardig zijn. Literatuur is complexer, belangwekkender, mooier, en dringt dieper tot iemands bestaan door. Het vereist een zenuwstelsel dat gevoeliger is dan dat van de meeste andere mensen, een sterkere intellectuele vorming en een levendiger verbeeldingskracht dan het gros van de mensen.
Net doen alsof er geen waardeonderscheid is tussen hoge en lage kunst is een tijdje in de mode geweest, uit politieke of commerciële motieven, maar we mogen er gelukkig weer mee ophouden. Lezers van literaire werken kunnen zich met recht superieur noemen.