Kanttekeningen bij Sloterdijk en Magris

Oerzin der beschaving

Zonder woede geen revolutie. Maar wat als de revolutionaire woede omslaat in haat en geweld? Een filosoof, Peter Sloterdijk, en een schrijver, Claudio Magris, schreven er, los van elkaar, een boek over. Europa: een panorama van treurige pracht.

Als een archeoloog speurt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk al decennia naar de nog onontdekte fundamenten van het Avondland. Ongebruikt bleek de eerste zin van het Avondland begraven onder tweeduizend jaar lang volgeschreven bibliotheken. Daar groef Sloterdijk dé eerste zin op: ‘Godin, bezing ons de moordende wrok van Achilles’: het begin van Ilias. Zonder de wrok van Achilles geen vernietiging van Troje, geen Ilias. Zonder wrok een andere eerste zin van Europa’s beschaving. Sloterdijk krabde de lagen christendom, verlichtingsdenken en psychoanalyse van het woord af, poetste het op en schreef een boek over zijn ontdekking in het onlangs vertaalde Woede en Tijd. ‘Om het bijna met de woorden van twee beroemde collega’s (Marx en Engels – cve) uit 1848 te zeggen: alle geschiedenis is de geschiedenis van wrokuitoefening.’ Marx probeerde met de bewegingswetten van het kapitaal de wereld te verklaren. Sloterdijk onderzoekt hoe wrok, wraak, ressentiment en haat de loop van de geschiedenis hebben bepaald. En hoe de belangrijkste agentschappen ervan, christendom en communisme, deze oerdrift hebben gebruikt, aangewakkerd en gemanipuleerd. Wat volgt is een vermetele rit in een filosofische achtbaan, waar onderweg een aantal gekoesterde paradigma’s de lucht in worden geblazen.

Woede is in het onmiskenbare Sloterdijkse idioom een psychopolitieke drift, en bevindt zich samen met de erotiek voorbij goed en kwaad. ‘Strijdbaar wrekende energieën’ brengen de mens in beweging, net als trots, moed, geldingsdrang, verlangen naar rechtvaardigheid, kordaatheid, eergevoel en verontwaardiging. Bijna twee millennia lang gebruikten kerkvaders, vorsten en filosofen die energieën voor veldslagen en kruistochten. Gaandeweg spanden ze zich in om de thymotische (Grieks voor toorn of woede) energie te civiliseren en aan te wenden voor een grand design: de vorming van nationale staten.

Maar aan het begin van de twintigste eeuw liep dat project, met de Russische Revolutie van 1917, uit op een catastrofaal echec: enorme massa’s ongefilterde wraak en ressentiment openbaarden zich. Een onstuimige drang om uit te roeien barstte los. Sloterdijk citeert uit een gedicht van Vladimir Majakovski, later de lieveling van de westerse radical chic, die in 1921 de essentie van de vernietigende woede weergaf:

Laat de bijl boven hun kale koppen dansen!

Doodslaan! Doodslaan!!

Bravo: en hersenpannen zijn prima asbakken

Wraak is de ceremoniemeester.

Honger de ordebewaarder.

Bajonet, browning, bom…

Voorwaarts! Tempo!

God was deze keer niet als Zijn zoon op aarde gekomen, maar als God zelf in de gedaante van de communistische Mens met een nieuwe boodschap: wraak, vergelding, vernietiging.

Er zijn bibliotheken volgeschreven over de vraag waar en wanneer de Russische Revolutie tot een moorddadige dictatuur verwerd. Voor Sloterdijk is dat een schijndiscussie en bevredigde het communisme veeleer ‘een bekrompen onteigeningsroes en een verlangen naar wraak op privé-vermogens’ dan een streven naar een meer humanistische maatschappij. Sloterdijk omschrijft de sovjetstaat – en later het bewind van Mao – zonder omhaal als links fascisme. Lenin en Mao zijn volgens hem de twee succesvolste ondernemers in woede en wraak.

De romanticus en cultuurfilosoof Claudio Magris beschreef in zijn magnum opus, de roman Blindelings, de grootste desillusie van de twintigste eeuw: het failliet van het communisme. Geïnspireerd door de Russische Revolutie en vervuld van idealen, zuiver als een pasgeboren baby, reist de Italiaanse communist Tore Cippico naar Spanje om tegen Franco te strijden. In de Tweede Wereldoorlog vecht hij tegen de fascisten in eigen land. Na de oorlog gaat hij in opdracht van de Partij naar Joegoslavië om Tito’s socialistische maatschappij mee op te bouwen. Maar dan opeens begint het rad van de geschiedenis de andere kant op te draaien: Tito breekt met Stalin. De buitenlandse communisten, zo-even nog het stralend symbool van internationale solidariteit, worden als agenten van Stalin getransporteerd naar het concentratiekamp Goli Otok, een eilandje voor de Kroatische kust. De zekerheid des geloofs, het heilige vuur dat de wereld redt, het superieure morele gelijk slaat om in vertwijfeling.

Communistische kampbewakers martelen er communisten: ‘Af en toe zetten ze de ustaci-nationalisten die daar aan het eind van de oorlog waren opgesloten ons voor, en die lieten merken hoe graag ze nog een keer gehate communisten folterden, ditmaal op bevel van andere communisten, en sommigen gingen eraan onderdoor. Antonio de Pol bijvoorbeeld was in Spanje kapitein geweest in het Vijfde Regiment en had een arm verloren zonder de strijd op te geven, maar toen twee ex-ustacia’s zijn andere arm hadden gebroken en in zijn mond hadden gepiest kon hij het niet meer aan, klom hij op een rots en stortte zich naar beneden, waar hij op het gesteente te pletter viel.’ Met Antonio de Pol viel de revolutie zelf te pletter. Alles sloeg om in zijn tegendeel.

Zoals Sloterdijk op zoek gaat naar de woede in de geschiedenis, zo zoekt Magris een even bizar lot als Tore Cippico in het verleden. Hij vindt het in de levensloop van de Deen Jorgen Jorgensen, voor een paar weken koning van IJsland, stichter van de stad Hobart in Nieuw-Zeeland in opdracht van de Engelsen, dezelfde stad waar hij zeven jaar later per schip terugkeert als gevangene met geketende voeten. Maar uiteindelijk vindt Magris het oerverhaal, net als Sloterdijk, in de Griekse Oudheid: in Jason die met zijn Argonauten na levensgevaarlijke avonturen het felbegeerde Gulden Vlies in het verre Colchis aan de Zwarte Zee herovert op de barbaren. Hij neemt zijn mooie echtgenote, de Colchische Medea, mee. Na terugkomst wordt hij echter door een jaloerse koning uit de stad verbannen. Hij komt in de ban van een nieuwe liefde. Wrok neemt bezit van Medea. Zij vermoordt zijn liefste bezit: hun kinderen. Magris schrijft: ‘Het is de Geschiedenis die ziek is geworden, gek geworden, niet ik. Of misschien ben ik gek omdat ik me verbeeldde dat ik haar kon genezen, gek zoals alle genezers, zoals u (Cippico praat tegen zijn psychiater – cve), zoals Jason, die voor een schapenhuid verderf ontketent en verschrikkelijke misdaden en waanzin.’ Alles is al eens opgeschreven, is de conclusie. Het leven is al eens geleefd. 150 jaar eerder, 2500 jaar eerder.

Magris is geen Italiaanse, maar een Midden-Europese schrijver in de traditie van Musil, Canetti en Konrad. In die literatuur is de werkelijkheid geëxplodeerd in net zo veel stukken als er stervelingen zijn. Ze laat zich niet meer weergeven in een standaardverhaal, maar alleen nog in een opeenvolging van associaties, zonder eenheid van handeling, tijd en plaats. Magris schrijft zoals Willem de Kooning schildert: abstract expressionistisch. Wie zo sferen, stemmingen en gebeurtenissen beschrijft, raakt snel in het drijfzand van ontoegankelijke, hermetische woordbetekenissen. Maar voor wie met Magris’ woordenstroom meedrijft – niet gehinderd door het korset van het gangbare, logische en chronologische verhaal – doemen ongedroomde vergezichten op. Zoiets als de niet benoembare beklemming van een film van David Lynch.

Sloterdijk noemt het de thymotische catastrofe van de twintigste eeuw. Magris schildert een apocalyptisch panorama met gescheurde vlaggen vol bloed, verbrande pamfletten, opgerichte en weer neergehaalde standbeelden, een miljoen kilometer prikkeldraad, veldslagen, gespleten hamers, verbogen sikkels, kapotte kruisen. Als een schilderij van De Kooning: alleen is het blauw niet van de hemel van Amerika’s oostkust, maar het blauw in de hals van de gewurgde revolutie, het bruin niet van de aarde, maar van de stront die de politieke gevangenen van angst door hun broek laten lopen tijdens de nachtenlange verhoren, het wit niet van een wolk aan de Atlantische kust, maar van de bloemen in de tuin van de kampcommandant van Goli Otok. De kleuren van Europa.

Na de herontdekte wraak van Achilles arriveert Sloterdijk op zijn reis door het Avondland bij een bijna even oude krachtcentrale van het continent: de wrok van de oudtestamentische woestijngod Jahwe. Met de onbevangen blik van de niet-theoloog diept hij passages op die zelfs leden van de Gereformeerde Bond uit hun bijbel hebben gescheurd. Dominees preken er nooit meer over, bij gebrek aan afzetmarkt. Maar ze zijn fundamenteel voor een goed begrip van Gods toorn en de vergaande implicaties voor onze cultuur. Een voorbeeld, psalm 58: ‘Verheugd is de rechtvaardige als hij vergelding ziet, in het bloed van de wettelozen wast hij zijn handen.’

Sloterdijk schetst een fascinerende geschiedenis van de christelijke wrok, de uitvinding van de duivel en de meest geniale vondst, de verplaatsing van de wrok naar het hiernamaals waar God als Ultieme Boekhouder en Totaalwreker de woede van ieder schepsel tegen ieder ander schepsel bijhoudt. De afrekening volgt bij het aanbreken van de Jongste Dag. Voor zijn leven op aarde dient de gelovige zijn woede in naam van Jezus te onderdrukken als een onchristelijke ondeugd. De psychoanalyse, nooit vrij van christelijke residuen, aldus Sloterdijk, ontwikkelde die gedachte verder en beschouwde een individu met ‘symptomen’ als woede, trots en eer als een slachtoffer van neurotische complexen. Woede bleef in de categorie van de ondeugden.

God stierf in de loop van de negentiende eeuw en met hem ging ook de vergelding in het hiernamaals ter ziele. Bij gebrek aan een hiernamaals brak het twintigste-eeuwse tijdperk van wraak aan: met de linkse revoluties van Lenin en Mao en de rechtse van Hitler. Terwijl bij de overgebleven christenen de Jongste Dag almaar op zich liet wachten, wilde bij de communisten de heilstaat maar niet aanbreken. Tot de dood van Stalin werd dat, bij gebrek aan een communistische hemel, opgelost door steeds nieuwe tegenstanders te zoeken en uit te roeien die de schuld droegen voor het uitblijven van het communisme met een grote C. Eerst de rijken, toen de middenstand, daarna de koelakken, vervolgens de boeren met tien koeien en ten slotte de boeren met één koe.

En nu, na de val van het sovjetrijk en met het kapitalisme in China, is de wereld in de ban van een nerveus en globaal consumentisme geraakt. Sloterdijk maakt zich zorgen. De wrok van Achilles en Jahwe past niet meer in een wereld die alleen genot nastreeft: ‘Het onverbiddelijke weke midden verandert alles en iedereen in hybriden. (…) Het totaal aan potentieel woedeverwekkend leed, ellende en onrecht op aarde is voldoende voor wel tien uitbarstingen in de trant van 1917 (…). Het lijkt alsof de woede niets meer wil leren. De verontwaardiging kan niet meer bogen op een wereldomspannend idee.’

Dit is Europa: het verhaal van de woede, het verraad, het geweld en de misleiding opgeschreven door Homerus, Herodotus, Macchiavelli, Dostojevski, Musil en Céline. Twee wereldoorlogen, twee totalitaire systemen en een ideologische meltdown in een eeuw tijd. En nog is het Avondland niet dood. Zolang het filosofen en schrijvers als Sloterdijk en Magris voortbrengt is er niets aan de hand.

Peter Sloterdijk, Woede en Tijd_. SUN,
319 blz., € 19,90 (via www.groene.nl: € 17,90)._
Claudio Magris, Blindelings_. De Bezige Bij, 346 blz., € 19,90_