Vrije natuur in de Noordzee

Oesters lijmen op een bal met gaten

Om echt weer ruimte te krijgen voor vrije natuur is menselijk ingrijpen nodig. In de Noordzee bijvoorbeeld, een troebele bak water die met de juiste interventies weer een rijk ecosysteem kan worden.

Oesters, zoals ze bij de Borkumse Stenen liggen © WWF/ ARK / Onderwaterwereld.nl

De dag is grijs en zo is de zee. De wind waait door de duinen en over de Brouwersdam, die Goeree-Overflakkee verbindt met Schouwen-Duiveland. Mensen komen hier alleen op doorreis. Zelfs de natuur is hier op doorreis. Allerhande soorten zangvogeltjes dwarrelen in groepjes richting het zuiden, in een poging niet naar zee te worden geblazen, een terrein waar ze zich liever niet wagen, een grijze woestenij.

Woestenij? Het is maar waar je kijkt, vertelt een drietal biologen dat net in een bootje stapt, onder aan de dijk. De mannen, van Bureau Waardenburg, hebben hun duikuitrusting bij zich omdat ze onderzoek doen naar iets unieks dat ze onder water hebben gevonden: een heuse oesterbank. Door basaltblokken op de bodem kan hier niet gevist worden en daardoor hebben oesters en mosselen wortel kunnen schieten, als het ware.

‘Het is heel bijzonder’, zegt Joost Bergsma, ‘want de Noordzee-bodem bestaat tegenwoordig alleen nog maar uit zand. Vroeger bestreek het rif wel twintig procent van de hele bodem.’ Bergsma is vandaag de kapitein. Hij stuurt de boot om de pier heen die bij de dijk begint. Met gps zoekt hij naar de exacte locaties waar ze eerder zijn geweest om precies in kaart te brengen hoe het rif zich ontwikkelt. ‘Rif kennen we vooral van de koraalriffen. Maar rif betekent gewoon de harde ondergrond waar zeedieren zich aan kunnen hechten. In onze contreien bestond dat uit structuren van mosselen en oesters.’

Terwijl de eerste duiker in het water plonst voor de inventarisatie legt Bergsma uit waarom oesters zo belangrijk zijn. ‘Het zijn bio-builders. Een oester heeft maar weinig nodig om zich te kunnen hechten. En op die ene oester kunnen andere zich ook hechten. Dit kan uitgroeien tot een hele brok schelpen. Als dit niet verstoord wordt, groeit dat aan tot een heus rif van wel veertig centimeter hoog. Dat loopt in een smalle strook langs de kust hier, in elk geval drie kilometer lang, met af en toe stukken zand. Het bestrijkt minstens veertig hectare. Dat heeft een grote invloed op het zeeleven. Het biedt andere dieren, zoals schelpen en anemonen, de mogelijkheid om zich te hechten, en dat trekt ook weer vissen aan. En vis biedt weer voedsel voor vogels en zeezoogdieren. De soortenrijkdom rond riffen is veel groter dan op een zandbodem.’

Het is bijna niet voor te stellen, maar tot eind negentiende eeuw kende de Noordzee een bloeiende oestervisserij. Eén gebied heet zelfs nog de Centrale Oestergronden. Daar is geen oester meer te vinden. Door onder andere overbevissing en een ziekte die met de Japanse oester meekwam is het dier verdwenen. Doordat de hele zee vervolgens werd bevist met sleepnetten zijn de riffen weggeveegd en werd alles zand. Althans, dat dacht men. Op dit stukje bij de Brouwersdam hebben de duikers een stuk rif gevonden waar de Japanse en de Zeeuwse platte al een aantal jaren blijken te leven. De Zeeuwse heeft de ziekte blijkbaar overwonnen.

‘Homaruskreeft’, klinkt de krakerige stem van de duiker door de speaker. Hij geeft alles door wat hij tegenkomt op een harde bal met gaten die ze hier zelf hebben geplaatst. Ze hebben daar een paar oesters op gelijmd om te zien of die blijven leven en of ze zich vermeerderen. En wat erop afkomt. ‘Strandkrab’, kraakt de speaker. ‘Tweevlekgrondel.’ Als de duiker weer boven is varen de mannen naar de volgende locatie, waar duiker nummer twee de diepte in gaat. >

‘Wat we allereerst wilden weten, is of je oesters kunt verplaatsen en of ze zich gaan vermeerderen’, zegt Bergsma. ‘Dat blijkt te kunnen. Hier kunnen we van leren hoe we dit ook op andere plekken zouden kunnen doen. Daarom zijn we begonnen met proeven bij de Bollen van de Ooster, een zandplaat hier verder de zee op. En ook bij de Borkumse Stenen, een locatie ten noorden van de Waddeneilanden. Daar wordt door vissers vrijwillig een hectare met rust gelaten om te zien wat er mogelijk is. Maar omdat dat allemaal verder weg ligt, doen we hier het voorwerk. We zijn nu bezig te kijken wat voor ondergrond het beste is. We willen het liefst natuurlijk materiaal, dus we hebben 3D-geprinte rifstructuren van zandsteen geplaatst. Maar we experimenteren ook met een ondergrond van schelpen.’

D e organisatie achter dit project, samen met het Wereld Natuur Fonds, is ARK Natuurontwikkeling. Directeur Jos Rademakers is al dertig jaar ontwerper van natuurgebieden. ‘Onze visie is dat je actief ruimte moet maken voor nieuwe, vrije natuur’, vertelt hij in een stationsrestauratie. ‘De natuur staat in onze maatschappij onder druk. Dan kunnen we wel geld steken in natuurbehoud en herstelprogramma’s, maar dat heeft vaak iets conservatiefs. Behouden wat er is. Het is maar de vraag of het standhoudt, want de druk op de natuur neemt toe, door bemaling, bemesting, het intensieve grondgebruik.’

Rademakers en de andere ecologen bij ark richten zich daarom op het creëren van nieuwe natuur. ‘Wij willen natuur toevoegen. En we willen onderzoeken hoe dat een robuuste natuur kan worden die bestand is tegen de uitdagingen van de omgeving. Dat kan alleen als je de natuurkrachten kent, als je kunt spelen met het zelfontwikkelend en vormgevend vermogen van de natuur in een bepaald gebied.’

‘Wilde natuur’ is een lastig begrip. ‘Wild heeft de klank van oorspronkelijkheid’, zegt Rademakers. ‘Ik vind het helemaal niet erg als de nieuwe natuur anders is dan vroeger. Er mogen nieuwe soorten komen. Maar ik pleit wel voor vrije, robuuste natuur. We moeten onze natuuragenda niet laten bepalen door wat we verloren hebben zien gaan. Dat is altijd beperkt. Dat heet de poor man’s reference: wat je hebt gezien bepaalt wat je mogelijk acht.’

Neem de Randmeren rond Flevoland. ‘Die werden zo gedomineerd door een bepaalde vissoort dat het een arm, troebel watergebied was. Daar is ingegrepen en er zijn roofvissen uitgezet. Het is toen omgeslagen in een andere fase, een ecosysteem met planten en met helder water. Daar wisten we dat het kon. Maar bij de Noordzee kan dat misschien ook. Onze impact is zo groot geweest dat het systeem daar is omgeslagen, lang geleden al. Mensen weten niet beter of de Noordzee is een bak troebel water. En dat blijft zo, want ieder stukje bodem wordt ieder jaar een keer kaalgesleept.’

Maar stel nu eens dat dat verandert. Doordat we grote gebieden zouden hebben zonder visserij, bijvoorbeeld rond windmolens, kabels, leidingen, wrakken, enzovoort, en als daar dan weer schelpdierbanken zouden ontstaan. Wat dan? Misschien kan dan juist in samenspel met de mens het grootste vrije natuurgebied van Nederland ontstaan dat rijker is dan we ons ooit hadden voorgesteld.

Een 3D-geprinte rifstructuur wordt op de bodem van de Noordzee geplaatst © Platte Oester Consortium / WNF / ARK

Wat is de waarde van natuur die je niet kunt zien? Wat hebben wij aan de grofgeribde fuikhoorn en de groene mosdierslak en de sponspootkrab die duikers op het rif hebben gespot? Misschien wel niets. En misschien is dat juist wel de waarde van zo’n geheime wereld, dat het ons een beetje nederiger maakt omdat het een van de weinige domeinen is die we niet in nut kunnen vertalen.

‘We moeten onze natuuragenda niet laten bepalen door de poor man’s reference: wat je hebt gezien bepaalt wat je mogelijk acht’

Toch wil Karel van den Wijngaard, projectleider bij ark, wel zoeken naar de maatschappelijke waarde ervan, zegt hij telefonisch. ‘Los van de betekenis die natuur in zichzelf heeft, hebben we allemaal baat bij ecosystemen die tegen een stootje kunnen. Een divers systeem kan veranderingen beter aan. En er gaat veel veranderen. Het klimaat verandert. De scheepvaart groeit. Er worden massaal windmolenparken gebouwd. Is het ecosysteem wel weerbaar genoeg voor deze uitdagingen? De visserij maakt zich niet zo’n zorgen. Het gaat nu goed omdat er zoveel platvis is. Maar wat als dat ooit afneemt? Zou het niet beter zijn als er veel meer soorten bij zouden komen, als het ecosysteem diverser zou worden en daarmee dus weerbaarder tegen alle veranderingen?’

Schelpdierbanken zouden daar de basis van kunnen zijn. Ze dienen niet alleen als houvast voor planten en dieren, maar ze filteren ook het water. Dit is goed voor de waterkwaliteit en voor zichtjagers als sterns en roofvissen. Ze filteren slib en algen uit het water en scheiden dit weer uit in de luwte van hun schelpen. Zo hogen ze zandbanken op en beschermen daarmee de kustlijn tegen hoge golven en stormvloed. Als dit fundament er weer zou liggen, zou de Noordzee van aanzien veranderen.

En veranderingen, die komen toch wel. ‘Er is amper debat over, maar windenergie wordt echt massaal. Er zijn allerlei plannen en niet alles is zeker, maar alles bij elkaar zou in 2050 maar liefst een kwart van de Noordzee windpark kunnen worden. Dat is enorm. Dat betekent windmolens, maar ook leidingen, installaties, hubs, en natuurlijk werkzaamheden om dit allemaal aan te leggen en te onderhouden. Dat zorgt voor geluid, voor verstoring, voor barrières. Wat betekent dat voor dieren? Wat zijn de risico’s? Het effect van een enkele windmolen is niet zo significant. Maar wat betekent dit op zo’n schaal? Dat weet niemand. Het gebeurt gewoon.’

Volgens Van den Wijngaard zouden we daar best eens over mogen debatteren. ‘Maar windparken bieden ook kansen, voor schelpdieren en vissen bijvoorbeeld. Als we die krachten en processen beter zouden begrijpen, zouden we misschien veel meer ruimte kunnen creëren voor robuuste ecosystemen.’

Verloren gegaan rif heb je niet makkelijk weer terug. ‘Maar het kan wel, dat heb ik in Amerika gezien. Er zijn projecten aan de oostkust bij Chesapeake Bay en aan de westkust voor de staat Washington. De gevolgen zijn groot. Het water wordt schoner en de soortenrijkdom neemt toe. En per hectare blijkt het enkele tonnen vis op te kunnen leveren. Het kan een heuse kraamkamer worden voor allerlei soorten.’ Niet gek dus dat de Amerikaanse overheid hier flink in investeert.

Om te weten of dit ook in Nederland kan, zijn ARK Natuurontwikkeling en het Wereld Natuur Fonds drie jaar geleden begonnen met het zoeken naar geschikte proeflocaties. Dat doen ze samen met het Platte Oester Consortium, bestaande uit Wageningen Marine Research, Bureau Waardenburg en Sas Consultancy.

‘Het werd mogelijk door de geplande opening van het Haringvliet’, zegt Van den Wijngaard. ‘Om trekvissen als zalm, steur en paling meer ruimte te geven werd besloten de sluis van het Haringvliet op een kier te zetten. Dat is in november daadwerkelijk gebeurd. Het gevolg zal zijn dat de delta meer gaat merken van zout water en getijdenverschillen. Daar is de afgelopen jaren van alles omheen gebeurd. Zelf ben ik bijvoorbeeld betrokken bij een eilandje in het Haringvliet dat speciaal is aangelegd voor vissen en vogels die zich bewegen tussen zoet en zout water.’

De Kier bleek een goede kapstok om ook te experimenteren met schelpdieren. Een proeflocatie voor het Haringvliet bleek echter niet zo goed aan te slaan. De locaties iets verderop gingen veel beter, en bovendien was daar de verrassing van de natuurlijke oesterbank. ‘Hier hebben we vervolgens allerlei experimenten gedaan om te onderzoeken hoe je oesters kunt plaatsen. Of ze dan voortplantingsorganen ontwikkelen. Of er larfjes komen. Waar ze zich wel en niet op hechten.’

In dezelfde tijd zijn andere organisaties en initiatiefnemers om de tafel gaan zitten met de eigenaren van windparken. Zo doet Gemini intussen een proef met schelpdieren bij windmolens ten noorden van de Wadden en is Eneco onlangs begonnen in het windpark Luchterduinen, samen met Stichting De Noordzee en Natuur & Milieu. ‘Al dit soort projecten kunnen van elkaar leren. Misschien bieden de windparken een kans. Maar het zou ook kunnen dat de natuurgebieden geschikter zijn.’

Het is zonde dat de natuur zo is opgedeeld in hokjes en vakjes. Alles is omsloten door dijken, dammen, kribben, wallen, hekken en gemalen. Natuurlijke processen zijn daardoor aan banden gelegd. Overstromingen, droogtes, erosie, sedimentatie, alles is genivelleerd en beheerst. In plaats van brede en wispelturige zones tussen nat en droog, zout en zoet of bos en open veld hebben we smalle lijnvormige elementen: beschoeiingen, dijken, sluizencomplexen of prikkeldraadrasters.

Het Haringvliet is daar een voorbeeld van. Maar nu de sluizen op een kier worden gezet kunnen de natuurlijke processen grilliger worden. Zout water dringt dan verder door naar de rivieren. Het brakke midden tussen zoet en zout wordt dan een gebied waar trekvissen kunnen wennen aan de overgang. Andere organismen zullen juist door het zoute water sterven, van eencellige algen tot grote vissen. Dat lijkt een ramp, maar deze sterfte vormt de basis onder het rijke dierenleven in de delta. Wormen en schelpdieren filteren dit voedsel uit het water en vormen op hun beurt weer een aantrekkelijke prooi voor talloze steltlopers en vissen.

We moeten slim gebruik leren maken van dit soort natuurlijke processen, zegt Jos Rademakers. ‘Dan is er veel minder beheer en behoud nodig. Als je wilt ontwikkelen in plaats van controleren ga je anders denken. Natuurlijk, er gaat ook veel naar de kloten en daar moeten we tegen vechten. Maar daarnaast kunnen we nieuwe oplossingen verzinnen die juist ingepast kunnen worden in maatschappelijke krachten. Zoals ruimte voor natuur rond windparken op zee. Er zitten risico’s aan windparken, maar ook kansen.’

Er zijn meer plaatsen waar we ruimte kunnen creëren voor nieuwe natuur. ‘ark is ooit begonnen met de uiterwaarden in het rivierengebied. Als er klei uit de uiterwaarden werd gehaald, voor bakstenen, werden de uiterwaarden weer hersteld zodat ze in gebruik konden blijven als weiland. Maar wat als je alles zo zou laten, twee meter dieper dus? Dat bleek te leiden tot een mozaïek van wilgenbossen en water, met eenden, vissen en kikkers. Het werd het meest soortenrijke gebied van Europa, vergelijkbaar met de Amazone. Wie had gedacht dat overstromingen zo verrijkend zouden zijn?’

Het feit dat er levend land is heeft in zichzelf al betekenis, vindt Rademakers. Maar het heeft meer toekomst als het ook maatschappelijke waarde heeft. ‘Zoals ruimtelijke kwaliteit. In de Gelderse Poort bij Nijmegen doen we niet anders meer. Mensen blijken natuurlijke uiterwaarden heel waardevol te vinden.’

Als we de natuur willen ontwikkelen, moeten we leren loslaten. ‘Dan moet je ook de dood toelaten. Een dood dier of een dode boom biedt veel meer leven dan een schutting met een bijenhotel erin. En je hoeft minder te onderhouden. Dat vergt wel een houding waarbij je openstaat voor verrassingen. Dat is misschien wel de belangrijkste waarde van vrije natuur: dat het ons leert dat het allemaal niet te controleren is.’ Dan moet je er wel eerst ruimte voor maken.