Oeverloos

Opera moet groots en meeslepend zijn, zo lijkt ook Wim Laman te willen zeggen met zijn uit de kluiten gewassen stuk Agamemnon. Het Radio Symfonie Orkest onder leiding van Ed Spanjaard verzorgde afgelopen vrijdag in het Concertgebouw de concertante première van Agamemnon. Niet alleen heeft Laman een partituur van bijna twee uur afgeleverd, koor en orkest staan als twee machtige blokken tegenover elkaar en uiteraard is de thematiek zeer dramatisch. Agamemnon handelt over de Griekse held Agamemnon die na tien jaar oorlog voeren huiswaarts keert met als gevangene de zieneres Kassandra.

Zijn echtgenote Klytaemnestra heeft een onaangename verrassing voor hem in petto: zij slacht Agamemnon en Kassandra op wrede wijze af uit wraak voor het feit dat Agamemnon hun dochter Iphigeneia aan de godin Artemis geofferd heeft.
De toonzetting van deze tragedie opent prachtig: op band klinkt een lage brom, zo laag dat hij beter voelbaar dan hoorbaar is. De suggestie die hiervan uitgaat is sterk: het lijkt of we afdalen in het binnenste van de aarde en teruggaan naar een verre geschiedenis. Als die brom later in het stuk terugkeert, is de connotatie ietwat veranderd: het onderaardse gerommel doet nu denken aan een actieve vulkaan die straks haar allesverwoestende kracht tentoon zal spreiden.
Ondanks dit sterke begin ontrolt zich echter een opera met veel haken en ogen. Laman is op zijn best in het orkest, waar hij een zekere vulgariteit niet schuwt. De krachtig herhaalde motieven, paukenroffels als zweepslagen en dik aangezette climaxwerkingen zijn buitengewoon effectief tegenover het kolossale mannenkoor dat als in de boksring rake klappen uitdeelt. Maar het is niet louter dik hout. In de instrumentatie klinken voortdurend schitterende details: de lage strijkers die met hun stokken op de snaren kletteren, mooie orkestrale kleuren of combinaties van instrumenten, transparante echo-effecten en inventieve slagwerkgeluiden. Als snoepgoed zijn deze versieringen door de partituur gestrooid.
Veel problematischer is de behandeling van de stemmen - ondanks een uitstekende cast. Alsof Laman hier niet de moed heeft gehad de zangers voluit te laten zingen zijn de meeste partijen slecht gearticuleerd en richtingloos. Eigenlijk komt Klytaemnestra (Susan Bickley) nog het beste uit de verf: haar partij bevindt zich in het register waarin haar stem zich op z'n gemak voelt, en haar trieste relaas is van een melodieuze soberheid.
Op een tweede plaats komt Kassandra (Susan Narucki) die laag en kleurloos begint, dan extreem hoog snerpt en eindigt in een hanteerbaar middengebied. Agamemnons partij (gezongen door Omar Ebrahim) is weliswaar krachtig maar volkomen eendimensionaal. Dan zijn er nog de overige mannenrollen (een wachter en twee koorleiders) die vaak zo laag zijn geschreven dat ze machteloos tegenover het orkest staan. Is dat onhandigheid of de angst om te traditioneel te schrijven - zoals Laman uiteindelijk ook voor een fonetische Griekse vertaling heeft gekozen in plaats van de Italiaanse tekst die hem te veel in het vaarwater van Verdi deed belanden?
Een tweede probleem is dat van de grote lijn. Door onverwachte wendingen in de muziek die geen inhoudelijke logica hebben, lijkt een consistente opbouw te ontbreken. En binnen het stuk geldt voor de lange monologen van Klytaemnestra en Kassandra dat allerlei dramatische kansen onbenut blijven, waardoor een in wezen shockerende tekst verwordt tot een oeverloos recitatief.
Dit alles betekent geenszins dat Agamemnon mislukt is. De muziek is vaak adembenemend mooi. Maar toch wordt de luisteraar door allerlei twijfels bekropen: is die Wagneriaanse lengte van twee uur noodzakelijk? Leunen de grote gebaren niet erg op Verdi? Doen de onheilspellende tromroffels niet erg aan Sjostakovitsj denken? En hebben we die sinistere glissandi, dramatische pauken en orkestrale aardverschuivingen niet al vaak bij Xenakis gehoord?