Oeverloos en sappig

Marja Pruis leest veel meer dan ze in de papieren Groene kan of wil bespreken. Deze week: Stofzuigen in het donker, van Jen Beagin.

Je kunt alles lezen, maar er niet echt wijzer op worden. Stofzuigen in het donker, dat bestaat uit twee romans van Jean Beagin die oorspronkelijk met een tussenpoos van vier jaar werden gepubliceerd, Pretend I’m Dead en Vacuum in the Dark, is een boek dat me in al z’n gekkigheid bij de les hield, en me dingen bijbracht die ik op een andere manier nooit te weten was gekomen. Misschien niet direct heel nuttige dingen, maar wel bijdragend aan een algeheel gevoel van relativerende zwartgalligheid. De stem van de verteller, eindtwintiger Mona, deed me wel wat denken aan die van Cindy Hoetmer, zij het op Amerikaanse schaalgrootte. Dat is dus het eerste waar deze roman je nogal casual van doordringt, zoals ook sommige speelfilms dat kunnen: de oneindigheid van de Verenigde Staten, waardoor ook een eindtwintiger er zomaar al een stuk of vijf levens op kan hebben zitten, en nog weer helemaal elders zomaar weer ‘opnieuw’ zou kunnen beginnen. Met een nieuwe liefde, nieuwe vrienden, nieuwe buren, maar wel telkens haar oude professie uitoefenend, dat van schoonmaakster. Wat dat betreft ook niet onlogisch dat de beide romans nu worden gepresenteerd als één roman.

Eigenlijk zijn het acht lange verhalen. Wat doet het ertoe, ik ga tellen omdat ik niet goed weet hoe dit boek te benaderen. Mona leert mensen kennen door de staat waarin hun huishouden verkeert, ze kan zeer gedetailleerd verslag doen van alle viezigheid op haar pad en hoe die, met welke schoonmaakmiddelen, het best te lijf kan worden gegaan. Daarnaast ontwikkelt ze de gewoonte om zichzelf te fotograferen, naakt of met behulp van wat rekwisieten, tijdens werktijd, en daarbij doet ze haar best om er voor lijk bij te liggen. Is dit grappig? Ik geloof dat Beagins schrijven wel door moet gaan voor grappig, maar ik denk dat nu eindelijk de kwalificatie ‘bizar’ meer op z’n plaats is. Ook omdat Mona’s gevoel van verlorenheid en haar zucht naar liefde voortdurend onder het oppervlak van de dolle anekdotes meelopen, en de depressie nooit helemaal ver weg is. Mondjesmaat ontsnapt haar in de eerste helft iets van wat er in haar jeugd verkeerd is gegaan – in feite is ze als kind ‘opgestuurd’ naar een tamelijk willekeurig familielid – en dat krijgt in de tweede helft contouren, als ze haar moeder opzoekt die opeens ‘mammie’ genoemd wil worden.

Ik weet dat ik graag overdrijf, maar ik ken weinig romans waarin zo uitgekleed en toch niet naargeestig over liefde, intimiteit en seks wordt geschreven. Met uitgekleed bedoel ik: matter-of-factly, zonder de kennelijke behoefte de boel mooier of lelijker te maken. Allereerst is er de verhouding met een ex-junk, door haar aangeduid met meneer Getver, die vanwege een ongeluk zelf niet echt meer behept is met genitaliën maar wel interesse heeft in die van haar. Het verhaal van en met deze meneer Getver, dat zich afspeelt in Lowell, is hartroerend, tot en met de overdosis waaraan ze dankzij hem bijna bezwijkt. Op zijn aanraden vertrekt ze naar Taos, waar ze in de ban raakt van Duister, wiens odeur van vers potloodslijpsel haar bijkans doet bezwijmen. En tot slot drijft ze samen met goeiige Kurt een motel in Bakersfield, althans, zij maakt de kamers schoon in een voortdurende staat van high-zijn, de enige manier om de saaiheid van Kurt te verdragen.

Het zijn slechts feitelijkheden in proza dat tot je komt als een nerveus, hyperintelligent, belezen (Plath, Nabokov, Coetzee) en sardonisch jong vrouwspersoon, zeg maar gewoon meisje. Een meisje dat de beste gesprekken heeft met haar imaginaire vriendin genaamd Terry. Die dingen overdenkt als, bijvoorbeeld wanneer ze erachter komt dat iemand kwijlt in zijn slaap: ‘Normaal gesproken reserveerde ze een klein beetje walging voor degene met wie ze een relatie had, vooral als ze die persoon visualiseerde als baby of bejaarde, maar ze kon niks afstotends aan hem ontdekken. Hij had haar helemaal onder kunnen kwijlen – ze zou het allemaal best hebben gevonden.’ Wat je tegen haar zou kunnen inbrengen, en dus tegen deze roman, is dat ze constant in de overdrive staat. Ik werd er niet moe van, maar wel een beetje een slordige lezer. De scherpe observaties verdrinken bijkans in het teveel aan leukige en gekkige voorvallen en zijpaden. Maar dan wel weer dit, na lange ouderwetse hofmakerij van Kurt en verlangende gestrande pogingen van Mona: ‘De seks was zweterig en middelmatig, maar de intimiteit had vertrouwd gevoeld, alsof ze naast speeksel en andere lichaamssappen, een paar liter bloed hadden uitgewisseld.’ Of als Duister haar uitlegt dat hij toen hij taxichauffeur was, zich wel eens in natura liet uitbetalen door een stripper: ‘Het klinkt akelig, maar als je van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op een taxi zit, voelt een pijpbeurt op een gegeven moment als een zegening, alsof er iemand over je waakt.’ Zintuiglijkheden als deze had ik een scherpere snit gegund, al moet ik zeggen – nu ik weer teruglees en –blader in het boek – ik ook wel zie dat dit proza gedijt op oeverloosheid.