Oeverloze jeugd

Ooit schijnt W.H. Hudson (1841-1922) een populaire Engelse schrijver te zijn geweest, maar ik kende zijn naam alleen van Borges, die hem met kennelijke jaloezie aanhaalt als de geluksproever die hijzelf graag was geweest. Hudson woonde als kind op de pampa. Zijn vader was zo'n pionier die het boerenavontuur in het destijds welvarende Argentinië waagde. De veestapels waren groot, natuurlijk en bovennatuurlijk liepen in elkaar over, en er waren gaucho’s, de donkere broertjes van de cowboy, die ook Slauerhoff zo intrigeerden.

Het boek waarnaar Borges verwijst is nu als Ver weg en lang geleden in Nederlandse vertaling verschenen. Het bevat aanschouwelijke jeugdherinneringen in een gebied dat niet erg is veranderd, al bepaalde toen de eucalyptus het landschap nog niet en al beschikken de boeren tegenwoordig over generatoren. Maar velen maken er nog steeds hun eigen wetten, en gaucho’s bestaan onverminderd.
Het bijzondere van Hudson is dat hij niet filosofeert of psychologiseert maar zich beperkt tot het fysische, tot het ondergáán van de gebeurtenissen. Pas toen met vijftien jaar de bewustwording doorbrak en hij bovendien ernstig ziek was, kwamen de levensvragen. Beschreven wordt de blijdschap als het leven het van de dood wint. Zijn zegeviert voorlopig over niet-zijn, en om het verschil tussen die twee gaat het, net als bij Hamlet. Voor de zekerheid: de naam Shakespeare valt niet. Namen zijn voorbehouden aan de pampa-bewoners die in de herinneringen figureren. De strijd tussen zijn en niet-zijn is in de halve wildernis waarin de Hudsons wonen elementair; de literatuur daarbij is terloops. Verfijning zou vloeken met het enige doel: zo veel mogelijk bovenhalen van weleer.
Het boek is chronologisch opgezet. De herinneringen schieten evenwel door elkaar heen met een anarchie die het geheugen kenmerkt. De opa-vertelt-toon of een zekere oubolligheid in de woordkeus (‘mijn gevederde vrienden’) storen wel eens, maar wát aangrijpend evengoed, deze evocatie, ook door de voortdurende afwisseling tussen die twee perspectieven, dat van het kind en dat van de oude man die daaruit voortkwam. Dat het voorbij is, is duidelijk. Alles is in de verleden tijd gesteld. Voor zover we de schrijver volgen, volgen we hem in zijn geheugen.
'Een klein wild diertje dat op zijn achterpoten rondrende en verbazend geïnteresseerd was in de wereld waarin hij zich bleek te bevinden’, zo typeert Hudson zijn prille ik, vervuld van levendige, zintuiglijke en emotionele indrukken en verkerend in een geestestoestand waarin voor reflectie geen plaats is. Het raadsel dat leven heet pakt hem in, en niet andersom. Dáárop is Borges jaloers: op dat samenvallen met hoe het leven komt, alsof je een beetje een roofdier bent in plaats van een tot rede gedoemd wezen. Borges was een bleekneuzige avonturier; Hudson onderging avonturen, zonder moeite te hoeven doen. Zijn hoofddrama’s zijn niettemin die van ieder kind: de kennismaking met de dood en de eisen die volwassenen gaan stellen.
Het geluk dat de vroege, oeverloze jeugd veelal aankleeft, smaakt naar paradijselijke eeuwigheid. Die eeuwigheid zo intens ervaren te hebben, is inderdaad om jaloers op te zijn. Maar, kun je je afvragen, was het bij jou vroeger minder? Hudson nodigt op z'n minst uit tot terugblikken. En tot vooruitblikken, want waarom niet een keer Argentinië waarts gegaan?