Of ander dier

Stilte in een andere vorm. Waaraan ik, voorbarig wellicht, de conclusie verbond dat hij ook nooit, op zaterdagmorgen bijvoorbeeld, onverwacht zou worden opgebeld. Of hij echt eenzaam was, daar had ik geen weet van. Misschien dat zijn knieën eenzaam waren. Samen eenzaam onder tafel. In zijn eenzame broek, en ga zo maar door.

Opzij kijkend, met onderbreking door drie zevendedagsadventisten die daar wel eens zaten, had de grijze Engelsman wellicht een paar van de kleine hagedissen kunnen zien. Wier onbeweeglijkheid steeds van korte duur was. Daarna holden ze weer heel nodig naar de andere kant van hun grote steen, waarvan er een aantal aan de rand van het zwembad lag.
Tijdens dat stilzitten hielden ze hun kopje op betekenisvolle wijze een weinig naar links ofwel rechts gericht. In die houding lijkt intelligentie te schuilen. Wat ik ook wel eens zag bij een bidsprinkhaan. Of ander dier.
Vooral apen kijken graag opzij. Hoewel ik de man nog nooit, zelfs geen centimeter, opzij had zien kijken maakte hij in het geheel geen domme indruk.
Dit weer in tegenstelling tot de drie evangelisten, die hun bleke koppen voortdurend scheef op elkaar hadden gericht en vanuit die verstrengeling van buiten geleerde verhalen uit Reader’s Digest opzeiden. Hun gezamenlijk lachen was van een walgelijke onschuld.
Op het strak om de kaken gespannen vel van de oude man was geen trilling of enig andere beweging zichtbaar. Hij was één met de warmte die hem omringde.
De eerste keer dat ik hem opmerkte zat er een jonge man tegenover hem. Een familielid, was de onontkoombare associatie. Zorgzame neef. Daar leek hij het meest op. Neef at niet, oom wel. Hij at niet echt. Het was meer of hij zichzelf bijvulde. Het ontbreken van elke emotie of expressie gaf de handeling iets sinisters. Waarbij opgeteld dat hij op dat moment voor mij nog steeds en door niemand tegengesproken, de Spaanse nationaliteit had. ‘Ik heb één opmerking.’ Klonk het. Hoewel niets mij meer menselijk in de oren klinkt, kwam het toch van de ui. 'Hij was één met de warmte die hem omringde’, zei de ui, 'dat is onzin!’