Of ben ik toch wammes waggel?

Toine Moerbeek, Paard en beest. Uitgeverij Van Oorschot, 267 blz., f55,-
De essays van Toine Moerbeek, zegt de achterflap, gelden al jaren als een geheimtip. Hij is namelijk ‘een klassiek dubbeltalent’, ‘een schilder die kan denken en zijn gedachten over de schilderkunst zo kan verwoorden dat je beter leert kijken’.

Een schilder die kan denken.
Deze formulering lijkt mij tamelijk beledigend voor de betreffende beroepsgroep. Maar ik moet toegeven, er wordt in het milieu van de beeldende kunst tamelijk veel geouwehoerd en er wordt in elk geval buitengewoon slecht geschreven. Persoonlijk ken ik eigenlijk maar een schilder die zowel denken als schrijven kan, een man wiens schitterend doordachte en meeslepend geformuleerde pleidooi voor Vincent van Gogh, bijvoorbeeld, mij van mijn aanvankelijke scepsis betreffende onze Franse landgenoot heeft afgeholpen.
Maar ja, tegen een triple-talent als dat van Jan Wolkers ben je, als dubbeltalent, per definitie kansloos.
Wat Toine Moerbeek als schilder voorstelt, weet ik niet. Ik kan slechts oordelen wat hij als naschilder betekent. Zijn boek Paard en beest is namelijk geillustreerd met tekeningen die de schrijver heeft gemaakt van schilderijen als Lucien Freuds Standing by the Rags, Charley Toorops Drie generaties en Felix Vallottons La visite. Wat heeft het dubbeltalent tot dit merkwaardige initiatief bewogen? Waren de orginele kunstwerken hem niet goed genoeg? Mij lijkt het in elk geval een daad van pure cultuurbarbarij, vergelijkbaar met het naspelen van Bachs Mattheus Passion op de mondharmonica.
Over de schrijvende component van Moerbeeks dubbeltalent heb ik helaas ook zo mijn twijfels. De auteur is zo onverdraaglijk lollig dat de lezer elk zicht op de inhoud van ’s mans beweringen wordt ontnomen. Een voorbeeld is de Johannes van Caravaggio, voor Moerbeek de apotheose van het renaissance-naakt. Wat zegt die man allemaal voor raars? Caravaggio heeft op de ‘botsautoleeftijd’ de seks ontdekt, een leeftijd waarop men de raamprostitutie serieus gaat nemen. Conclusie: 'Laat de sirenen tikken op hun ruiten; ik vind raamprostitutie mooi. Even mooi als een prachtig geschilderd renaissance-naakt. Ik ben geen Wammes Waggel die de Wallen enigjes vindt, een prima plek voor zijn krakkemikkige handel, die helemaal geen blote vrouwen ziet maar fleurig ingelijste schilderijtjes gemaakt door een opgeruimde zondagsschilder. Of ben ik toch Wammes Waggel, maar heb ik kukel en kan ik daarom Caravaggio zien zelfs in de Zigeunerin?’
Begrijp je, makker?
Moerbeeks opstellen zijn eerder verschenen in Maatstaf, Tirade, Rossinant, Hollands Maandblad en de Zingende Zaag. Het toont aan dat de literaire tijdschriften in Nederland in een ernstige crisis verkeren.