Of het mooi is?

Het werk van Christopher Williams en Jan Dibbets beschouwend, rijst de vraag of het zo hard moet. Ja, dat moet.

IN DE FOTO VAN Christopher Williams lijkt de schuimrubberen couch (divan) gemaakt door de beeldhouwer John Chamberlain een stuk kleiner dan het ding in werkelijkheid is. Gewoonlijk worden meubels in een zodanige omgeving gefotografeerd dat hun maat vanzelfsprekend is – met bijvoorbeeld een deur of een raam in de buurt. In deze opname is echter elke duidelijke tekening van ruimte zacht weggewerkt. Ten gevolge van subtiele belichting en mise-en-scène in de studio of, tegenwoordig waarschijnlijker, middels creatieve photoshopping verschijnt het object tegen een diffuus verloop van kleur – van heel donker naar een wazig blauw en dan naar een lichter blauwgroen. (Zo worden nog steeds, gevlijd op glanzend geplooide zijde, kostbare juwelen gefotografeerd, om alle nadruk te krijgen op hun schittering.) In de foto van Williams wordt de couch ook nog extra van boven belicht. Daardoor ontstaat de hoekige slagschaduw waarop het object nu rust, als op een platte sokkel. Het donker van die sokkel is hetzelfde als het donker boven in de foto en tussen die twee donkertes (die als het ware op elkaar rijmen) staat of ligt het roerloze object: een blok schuimrubber, ongeveer 170 centimeter hoog. Halverwege die hoogte is het met een koord strak ingesnoerd, zo ver als de veerkracht van het materiaal toeliet. Door daar de elasticiteit te reduceren en het midden steviger te maken werd het ding een stuk stabieler, zodat het een object kon worden om op te zitten.
Buigen, knakken, verkreuken en verknopen zijn typische procedures in het werk van John Chamberlain, die we vooral kennen van zijn exuberante sculpturen van grillige fragmenten autocarrosserie. Midden jaren zestig ontdekte hij dat schuimrubber (ook een strikt industrieel materiaal) mooi elastisch en volumineus is. Het is ook veerkrachtig, zodat, als je het op een bepaalde plek met touw insnoert, daaromheen weer andere, verrassende vormen zullen gaan plooien en uitstulpen. Je kon er dus vreemde knoedelachtige sculpturen mee maken. Ook kun je er met een mes stukken uit snijden die je daarna weer op andere plekken aan het ding kunt vastplakken. Omdat schuimrubber zo zacht is, kun je er ook aangename meubelstukken mee maken.
De couch in de foto is gemaakt omstreeks 1980. Die informatie is deel van de titel van het werk waarin, droog en documentair, allerlei andere feitelijkheden worden vermeld. Op die nauwkeurige manier is ook de foto gemaakt: die laat het ding ook zien. Het schuimrubberen object is zo gefotografeerd, en met zo’n feilloze belichting, dat we een compleet beeld krijgen van de fysieke staat ervan. Niets blijft onzichtbaar. Hoewel we geen achterkant zien, laat de precisie van de opname ons ruimschoots vermoeden dat die hetzelfde zal zijn als de voorkant: met net zulke rimpels ten gevolge van de insnoering en met net zulke vlekken en verkleuringen. We zien hoe met een mes de uitholling van de zetel in het oppervlak is gekerfd. Al met al zien we een compleet en leesbaar volume, zelfs de zachtheid ervan is zichtbaar.
De blik in de foto op het object is bijna neutraal, eigenlijk zonder veel esthetische interventie: het is een foto op de abstracte manier van minimal art. Zo kijk je naar een rechthoekige sculptuur van Donald Judd – wat hij een specific object noemde. In dit werk van Christopher Williams zien we een figuratief beeld waarvan de waarneming met uiterste concentratie is onderworpen aan de onwaarschijnlijke scherpte van abstracte hard-edge schilderkunst, zoals die van bijvoorbeeld Ellsworth Kelly. Dat soort rigoureuze abstractie is nu ook, onomkeerbaar, doorgedrongen in de fotografische waarneming van de werkelijkheid.
De nieuwe constructies van horizonnen van land-en-zee van Jan Dibbets zijn daarom onvergelijkbaar veel scherper dan de versies uit begin jaren zeventig. Hoewel gemaakt met de negatieven van toen is een recent werk als Sectio Aurea – serie B nu in een digitale techniek uitgevoerd. In de eerste plaats is het beeldmateriaal, door de beweeglijkheid van de computer, veel wendbaarder geworden. Er ontstaat daardoor een groter overzicht van varianten – vergeleken met het knippen en plakken van vroeger. Zoals we in de foto van Christopher Williams, met zijn zorgvuldig strelende belichting, een ragfijne uitdrukking zien van volume en materiaal, merk ik bij Dibbets een strak-stralend en zuiver licht. Dat is waarvoor hij een nieuwe vormgeving heeft gevonden: voor eclatante vormen van puur gekleurd licht, eindelijk zonder sporen van atmosfeer. Moet dat dan? Moet Williams zulke harde, koele foto’s maken? Ja, want met alles wat hen aan techniek en trucs ten dienste staat, moeten kunstenaars nu eenmaal daarheen waar ze kunnen gaan. Iemand zei, misschien was het Judd: of het mooi is, blijkt later wel.

PS Van Christopher Williams bevindt zich veel werk in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, ook de foto Chamberlain’s Couch, circa 1980. Tot 29 augustus loopt van hem de expositie For Example in de Kunsthalle in Baden-Baden. De nieuwe Horizons van Jan Dibbets zijn tot 12 september tentoongesteld in het Haags Gemeentemuseum