Of ik je mooi vind? Ja, in een boerka

Andy Fierens, Grote Smerige Vlinder. € 16,50

Medium webwinkelbestelknop

[fragment uit in het vizier van de sluipschutter]

niet zelden regent het toverklachten wanneer
een jonge heks door het dorp paradeert
maar vaker kraaien duizendkleurige vogels
in de baai van een slokkende long
en spannen aders zich op
in een bedje van vleestulpen

echte heren zeggen nooit nee
strooi bakken vol zand in mijn ogen

beffend in het vizier van de sluipschutter
zal ik je blindengeleidepony zijn
of een megalomane zonnekoning
die je bek openwrikt met een
vuurwerk van gouden protuberansenSinds Aristoteles in de vierde eeuw voor Christus het dogma uitvaardigde dat een literair kunstwerk pas geslaagd is wanneer het zich voordoet als een afgerond geheel hebben we een duidelijk criterium om de waarde van toneelstukken, gedichten en romans te beoordelen. De plot mag geen losse eindjes vertonen, elk detail wordt geacht een functie te hebben, wat in de eerste regel begint dient in de laatste perfect te worden afgesloten. Tot ver in de twintigste eeuw hebben geleerden en critici literatuur door Aristoteles’ bril beschouwd, niettegenstaande het feit dat er altijd, ook in de klassieke Oudheid al, teksten zijn geweest die zich aan het eenheidscriterium onttrokken. Met name in de laatste honderd jaar is er een nieuwe esthetiek ontstaan die voorschrijft dat kunstwerken, of het nu schilderijen, gedichten, films of muziek betreft, de chaos en fragmentatie van de werkelijkheid moet representeren. ‘These fragments I have shored against my ruins’, schreef T.S. Eliot in 1922, en vanaf dat moment is het gave gedicht verdacht. Het kunstwerk dat consistent in zijn inconsistentie is: dat is de nieuwe mode geworden.
Toch verwachten we van een gedicht nog steeds dat de woorden waaruit het bestaat iets met elkaar te maken hebben. Er moet een reden zijn waarom ze elkaar hebben opgezocht. De dichter heeft iets te melden, desnoods alleen dat hij niets te melden heeft. Als er nog sprake is van een eenheid of een samenhang, schuilt die bijvoorbeeld in een stemming, een thematiek of een biotoop.
De Vlaming Andy Fierens, voorman van het collectief Andy & The Androids dat zijn activiteiten op MySpace aankondigt als ‘literaire trash’, heeft met Grote smerige vlinder een fragmentarisch debuut afgeleverd, maar de toon ervan is consistent. Fierens schrijft grove, lelijke, foute anti-literatuur die bij vlagen buitengewoon vermakelijk is. De sprekers zijn ranzige rukkers en boze mislukkelingen die hun associatief aaneengeschakelde strofen op de lezer afvuren. Het is poëzie die bij voordracht aan kracht wint, getuige het geluidsmateriaal dat op het web is te vinden. Maar is dit werk bestand tegen herhaalde lectuur?
Het openingsgedicht begint met een grap: ‘slapeloos denk ik aan mijn helden:// andy warhol/ andy kaufman/ mahatma andy’, waarna de dichter vaststelt dat niet alle andy’s succesvol zijn:

ik ken er een die pas
aan een vrouwenslip
kan ruiken als hij er
zelf een koopt

De spreker is een seksueel gefrustreerde man, die echter over voldoende zelfspot beschikt om zichzelf te kijk te zetten, zij het dat zijn gevoel voor humor niet overhoudt: ‘ken je die van de andy/ met de bijna-dooderectie?/ ken je die van de andy/ die zijn vrouw bedroog/ met twee zweedse broers/ lars en extra lars?’ Van fijnzinnigheid valt Fierens niet te betichten: ‘toen je beviel bleef ik staren naar je moederkoek/ die had wat jij niet hebt: een functie’. In een ander gedicht lezen we: ‘of ik je mooi vond? ja, in een boerka’. En wanneer de protagonist het verzoek krijgt de kern van zijn leven in één zin samen te vatten, aarzelt hij tussen ‘these, antithese, prothese’ en ‘iemand gooide schurft op de beurs/ en deed me al de aandelen cadeau’. Dat is misschien een beetje grappig, maar niet sterk genoeg om bij tweede lezing overeind te blijven, als ik me deze fallische beeldspraak mag veroorloven.
Dat wil niet zeggen dat de bundel geen goede momenten kent. Die doen zich vooral voor waar Fierens alle remmen losgooit en een verrassende, hier en daar wellustig ronkende beeldtaal uitbraakt die de puberale flauwiteiten achter zich laat: ‘sus mij met stuifmeel in je hand wanneer ik versplinter/ als ik word aangeknaagd door het knaagdier in het wiegende stro’. Overdadig is de alliteratie in een regel als ‘bloedhonden blaffen door de barst in je borstbeen’, maar het werkt wel. Helaas volgt er dan direct weer een grap: ‘het was niet de bedoeling/ dat je dit zou ontdekken op wereldberoertedag’.
Puur provocerend is een ‘gedicht voor vogelvrienden’, waarin het consumeren van foie gras wordt aanbevolen: ‘nog zie ik maar een hand/ de bek vastgrijpen/ nog zie ik maar de trechter/ in de schacht verdwijnen/ of ik lik mij reeds de lippen rond’. Door een vele strofen lange opsomming van typen ganzen wordt een sensatie van vette overdaad opgeroepen, die de potentiële smulpaap bij voorbaat misselijk maakt:

ganzen met staar
ganzen als huisdier
ganzen uit schurkenstaten

Ook dat is een werkzaam gedicht. Maar het redt de bundel niet.

ANDY FIERENS
GROTE SMERIGE VLINDER
De Bezige Bij, 64 blz., € 16,50