Of niet soms?

ATTE JONGSTRA
KLINKENDE IKKEN: BEKENTENISSEN VAN EEN ZELFONTWIJKER
De Arbeiderspers (Privé-domein, nr. 266), 422 blz., € 25,-

Zou je als schrijver gevraagd worden een deel in de Privé-domeinreeks te verzorgen, of moet je jezelf onder de aandacht brengen bij de uitgever? Dankzij Klinkende ikken van Atte Jongstra ben ik veel te weten gekomen over de literaire mores anno nu door de bril van een schrijver die nooit echt helemaal geland is, maar dát net niet. Ik denk zomaar dat hij zelf met het idee is gekomen. Dat denk ik op grond van het beeld dat van hem oprijst uit deze verzameling autobiografische schetsen. Want hij mag dan, zoals de ondertitel suggereert, erin slagen om zichzelf te ontwijken, voor zijn omgeving zal dat minder het geval zijn. Dat klinkt nogal persoonlijk, maar aan dat hele persoonlijke is bijna niet te ontkomen als je ruim vierhonderd bladzijden bij de schrijver op schoot hebt gezeten, en getrakteerd bent geworden op zijn litanieën en anekdotes.
In zijn relatieve buitenstaandersrol, altijd een beetje verongelijkt, altijd een beetje verontwaardigd, wantrouwend en kwaaiig, maar dan toch ook weer de beroerdste niet willen zijn, toont Jongstra zich een fijne – want licht boosaardige – chroniqueur van de schrijverswereld. Al op de tweede bladzijde gaat hij met de billen bloot: ‘Het is verschrikkelijk een naam als de mijne te moeten dragen, terwijl ik denk dat iemand als Harry Mulisch altijd verrukt is geweest van zijn naam.’ De manier waarop Jongstra zich presenteert als underdog, niet alleen behept met de verkeerde naam, maar ook met de verkeerde leeftijd (boven de vijftig), de verkeerde gewoontes (roken en drinken), maar dan wel weer de juiste vrouw – I., over wie om de bladzijde zozeer de loftrompet wordt gestoken dat je daar ook weer wat van gaat denken – pakt buitengewoon grappig uit.
Opluchtend aan deze autobiografie in fragmenten is dat die niets met een schrijversdagboek of een schrijversleven te maken heeft. Geen gezucht achter de computer, geen leven voor de kunst, geen zoeken naar woorden, geen bescheiden in ontvangst nemen van complimenten en applaus, maar eerder de onvermoeibaar montere praat van een noeste werker die nu eenmaal in deze tak van broodwinning terecht is gekomen en niet anders meer zou willen/kunnen. Een pestkop/provocateur bovendien, die voortdurend met opgetrokken wenkbrauwen rondbanjert in wat blijkbaar zijn wereld is geworden en op wiens naar het Fries gevormde lippen bestorven ligt: het is toch zeker zo? Of niet soms?
Hoogtepunt in deze toonsoort is Wederzijdse bevruchting, het stuk dat hij schrijft over hoe hij en zijn criticus elkaar gaande houden. ‘Ik heb wel eens gedacht dat Tom van Deel en ik samen het perpetuum mobile hebben uitgevonden.’ Het bekende vermoeide-criticus-syndroom (voor de zoveelste keer de nieuwe Jongstra voorbij zien komen, en zie dan nog maar eens fris uit de hoek te komen) wordt hierin op indringende wijze van de andere kant belicht. Als schrijver blijf je immers ook je schrijvende leven lang in de nek gehijgd worden door diezelfde criticus die toch al niet van je werk hield. Erg geestig beschrijft Jongstra hoe zo’n kwelgeest kan uitgroeien tot de motor van je schrijverschap en hoe je hem gaat missen als hij wegvalt. Voor wie nu nog dat boek publiceren?
Babylon bij windkracht acht is een hilarisch – in dit geval is dit adjectief wel weer eens op z’n plaats – verslag van een cruise georganiseerd door de Scandinavische schrijversbond, een tripje dat hij te danken heeft aan de alom vertaalde Marcel Möring (‘Je probeert eraan te ontsnappen, aan jaloezie, maar ik ben geen Houdini’) in wiens plaats hij gaat. Vergelijkbaar verschrikkelijk en grappig als Gerard Reve’s deelname aan het schrijverscongres in Edinburgh in Op weg naar het einde. ‘Nog mooi genetwerkt’, besluit Jongstra een onbegrijpelijke dag aan boord van het schip.
Op het literaire front zijn ook de felrealistische portretten die Jongstra van publicist Michaël Zeeman en uitgever-in-ruste Ary Langbroek schetst erg vermakelijk. Een aantal andere, meer verzameldriftige stukken, geloofde ik dan weer wel. Vele klinkende ikken spreidt Jongstra volgens de beste Privé-domein-traditie in dit boek tentoon – koket, schaamteloos, wanhopig en gewoon: niet te volgen – en even veelkleurig is het palet aan reacties en emoties dat hij teweegbrengt. Tussen gapen en schaterlachen, daar bevindt het zich allemaal, en dat is heel wat.