Theater

Of ’t nou helpt of niet

Theater: Jenny (Arean)

Na het openingslied komt-ie even voorbij: Bertolt Brecht. Jenny Arean citeert een zin uit een to neeltekst van hem, over een vrouw die (in de bruinzwarte jaren van de nazi’s) almaar te horen krijgt: «Dat helpt toch niet» en die terugschreeuwt: «Doe dan iets dat wél helpt!» Brecht zit in het bloed van Jenny Arean. Ik zag haar ooit in de lente van haar loopbaan zingen en spelen in een programma dat Het leven van Bertolt Brecht (1968, Ensemble) heette, en ik was meteen verkocht. Het klopt mooi dat ze hier dat ene Brecht-zinnetje citeert. Ze wil iets doen dat helpt. En ze kan zingen. Dus dóet ze iets dóór te zingen. Als Jenny Arean zingt, dan zingt ze «je hart kapot». Dat is een citaat, over Ernst Busch, legendarische Brecht-zanger. Het citaat slaat ook op Jenny Arean.

Ik stap graag in de trein voor een optreden van haar. Dit keer naar De Flint in Amersfoort. Mooi theater, warm publiek. Vrij snel onthult ze waar het repertoire voor deze avond is ontstaan: aan haar keukentafel. Jenny kookt, slaat containers drank in, om haar keukentafel zitten haar auteurs, allemaal mannen. Ze nemen in, vreten als beesten, bieden tegen elkaar op. Samen zijn ze allemaal een beetje Jenny. En daarna gaan ze schrijven. Voor haar. De nestor (Ivo de Wijs) levert het eerst in. Daarna volgen de anderen: Daniël Lohues, Jurrian van Dongen, Maarten van Roozendaal. Jenny is een mix van veel nieuw materiaal en een beetje oud. Hier en daar een tikje nostalgie, verder vooral Kopf hoch! en geen gezeik. De voeten in de blubber, een bibberende blik vooruit, da’s Arean. «Knappe jongen die mij bitter krijgt», zegt ze ergens.

Waarom vind ik Jenny Arean zo voorbeeldloos goed? Die stem natuurlijk en die fonkelende ogen. Maar vooral dat schakelen, van sfeer naar sfeer, van weemoed naar harde humor, van ironie naar intense liefde. Er zijn performers die een podium wijd open kunnen trekken en luttele minuten later dat podium van tien bij tien weer heel intiem kunnen maken. Dat zijn de groten. Jenny Arean is zo’n grote. Meteen in het openingslied (Geef me de moed, Aznavour/Van Dongen) smeekt ze, nee dwingt ze de goden de kracht af om tegen de wind in te kunnen blijven zingen. En direct daarna overrompelt ze haar publiek met een lied waarin haar eigen geschiedenis hangt aan een immense sleutelbos (Sleutels, Ivo de Wijs).

Theater is teamwork. Als je de beste schrijvers na een copieus maal hebt weten te inspireren om het beste uit hun pen te halen, dan heb je de grootste podiumpartners nodig. Jenny Arean heeft ze: de musici Peter van der Zwaag, Hubert Heeringa en Christiaan van Hemert sleuren uit viool, bandoneon, sax, piano en slagwerk voor ieder lied de juiste, ijle of daverende sfeer. De twee ondersteunende zangeressen, Eefke den Held en Lidwien Meeùs, doen veel meer dan ondersteunen: na de pauze zingen ze een hartverscheurend lied over een vrouw die onthand luistert naar de levenswijsheden van haar partner, Leef (Van Dongen/De Witte). Arean luistert, een hand op de vleugel, zichtbaar trots op «haar» meiden.

Er valt bevrijdend veel te lachen in Jenny. Dan gaan die ogen op fonkelstandje twintig, en zingt ze over de mode van het koken in Wokken, of over de debiele vraag van een overbezorgde vader richting zijn zoon, in Doet ie ’t al? Er is een mooie anekdote over haar regisseur Karl Guttmann, jawel, 45 jaar op het podium en je jodelt zo een paar toneelanekdotes bij elkaar. Tegen het eind vliegt ze weer naar je strot, met Ivo de Wijs’ vertaling van het Julien Clerc-nummer Utile, Of ’t nou helpt of niet, alweer zes jaar oud, maar nog altijd een onvergankelijk pleidooi voor het lied, voor het zingen tegen iedere orkaan in. Als ze tussen haar reusachtige musici het applaus neemt en blij de coulissen in wervelt, valt me opeens op hoe klein Jenny Arean is. En, ik kan het niet helpen, ik denk opnieuw aan Bertolt Brecht, aan dat kleine, bloedmooie zinnetje voor zijn vrouw, de actrice Helene Weigel.

«Kleine gestalte, grote speler».

Tot en met eind mei overal in het land